Pagina:HeimansEli1906WandelenEnWaarnemen.djvu/234

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen

234

bochten staan gemakkelijke zitbanken, geleund tegen de rotsen, vol digitalisbloem en varens. Nu eerst vallen de beide hoog gelegen ruïnes in 't oog, het Schloss aan onze zijde en de Haller in de verte aan den overkant, die voor de schilderachtigheid van de stad in 't geheel niet noodig waren, maar er nog wat poëzie bij inbrengen.

De Roer is op onze hoogte nog niet te zien, wel te hooren. Eerst als we gelijkvloers met de slotruïme gedaald zijn, zien we in de diepte een lang lint van schuimende golfjes en hooren we ze duidelijk iets over de groote keien en leisteenblokken kletsen. Veel water is er 's zomers blijkbaar niet in. Op de bank bij het Slot overzien we weer een ander deel van de stad, dat bij den eersten aanblik, door de vooruitspringende leirots in de diepte onder ons verscholen bleef. Dat is het stadsdeel aan en over de eeuwig kletterende Lauffenbach gebouwd, die zich midden in de stad in de Roer stort. 't Uitzicht is telkens nieuw en telkens mooier bij elke wending van dit eerst zoo kwaad aangekeken 1½ K.M. pad. Daar kunnen de drie groote lompe leelijke fluweel- en verffabrieken, rechts en links en in de diepte vlak voor ons, nu niets meer aan bederven; bij den eersten kijk worden ze niet opgemerkt en nu doen zij den dienst van de moesjes op oud-eeuwsche vrouwenwangen of een toevallige inktvlek op een fijn getint aquarel; je zou ze willen wegvegen, die storende leelijke dingen; ondertusschen hebben ze door hun opdringerig bestaan, door hun botte logheid geholpen, om den indruk van het bijzonder mooie, het artistieke voor altijd vast te zetten in uw geheugen.

Eindelijk zijn we in de stad afgedaald, dralend om telkens weer te genieten. Er blijken wel degelijk straten en stegen te zijn, al zijn ze smal, en de blik van nabij neemt niets weer