Pagina:Hertogenbosch en derzelver inwoners bij het begin der negentiende eeuw.djvu/62

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is niet proefgelezen

( 54 )

ene afgrijslijke Zonde, en nogthands word dezelve, in deze Landſtreken, nimmer tegen gegaan. In alle Huisgezinnen word zulks gehoord. Ouders en Kinderen vloeken beiden even ſterk; men beſchouwt dit niet als kwaad, het is maar ene gewoonte, en als men 'er geen kwaad oogmerk (intentie) bij heeft, dan doet men 'er geen kwaad mede; onwetend zondigt men niet. Zo redeneert men 'er over. – Ligtvaardig Zweren is zo algemeen, indien niet algemener dan het Vloeken, dit acht men in het geheel niet, men weet niet eens, dat 'er kwaad in ſteekt. Over het algemeen heerscht 'er onder de Roomſchen in de Meiërij enen afkeer tegen verwenſchingen, of om iemand of zichzelven kwaad toe te wenſchen, dit is zeker prijzenswaardig; doch ik moet omtrent deze misdaden aanmerken, dat de Zeden ten dezen opzigte, op de éne of andere plaats, zeer verſchillen, ſchoon 'er geen enkel Dorp is, waarvan men kan zeggen: men maakt zich aan die Zonden daar niet ſchuldig.

Het enigſte, waarvoor de Roomſche Meiërijënaar vlijtig zorgt, is, om het Bijgeloof op alle mooglijke wijzen voord te planten[1],

en

  1. Zie boven Bl. 23, 24.