Pagina:Hertogenbosch en derzelver inwoners bij het begin der negentiende eeuw.djvu/81

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is niet proefgelezen

( 73 )

behoeft te houden[1]. Hier komt bij, dat den Priesteren de magt word toegeſchreven, om alle Zonden, ja! zelfs enen valſchen Eed, te vergeven; men behoeft derhalven genen valſchen Eed, gene onwaarheid, hoe ook genoemd, te ſchuwen! zo zij al kwaad zijn, zo heeft men nogthands van den Priester, voor ene geringe Boetdoening, of voor een ſtuk Gelds, vergeving te wachten. Wat komt het 'er dan ook op aan? – Want na de vrijſpraak (abſolutie) is men weer zo goed, zo zuiver, zo rein en heilig, als van te voren.

In de Meiërij heerscht zeer weinig Menschlievendheid. Men zou denken, als men hoort, met hoe veel ophef een Roomſche van Goede werken ſpreekt, dat hij een ſchitterend voorbeeld van zuivere Menſchenliefde wezen zoude; doch zo men dit denkt, dan bedriegt men zich[2]. Het eigenbelang heerscht over de Menschlievendheid; men wil wel Goede werken doen, maar zij moeten niet met vele moeite verzeld gaan, en men moet rekenen, dat men 'er altijd iets bij wint. Dit is echter zeker:

Wie

  1. Reize door de Majorij in 1798. Bladz. 118.
  2. Reize in 1799. Bladz 192.

E5