Pagina:Het Koninkrijk Deel 01 Voorspel (1969).djvu/14

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is niet proefgelezen

GEHEIM BERAAD

was hij in 1917 Kamervoorzitter geworden. Onder de liberalen behoorde hij tot de meest conservatieven. Misschien had hij dat nooit zo dramatisch gedemonstreerd als op die 4de april 1919 toen hij tot ieders verbazing van zijn voorzitterszetel was afgedaald om als Kamerlid de staf te breken over het beleid van de gouvemeur-generaal van Nederlands-Indië, van Limburg Stirum, die nog geen vijf maanden tevoren aangekondigd had, de pasopgerichte Volksraad te willen maken hot een integrerend deel van de regering, met daadwerkelijke medezeggenschap in en controle op het bestuur' - Verwarring stichtende fantasieën', aldus Fock.[1] Als opvolger van van Limburg Stirum had hij de lijn van diens beleid schielijk omgebogen. Daarna was hij nog zes jaar, van '29 tot '35, lid van de Eerste Kamer geweest. Toen hij daar in de oude vergaderzaal van de Staten van Holland op het Binnenhof zijn intrede deed, zat mr. W. L. baron de Vos van Steenwijk op het gestoelte van de voorzitter: een Overijsels edelman van strakke christelijk-historische beginselen bij wie in lange jaren van werkzaamheid bij de Raad van State en als lid van de Eerste Kamer (van 1913 af) een toenemende weerzin gegroeid was tegen de parlementaire democratie zoals die, meende hij, aan de overzijde van het Binnenhof bedreven werd. Al in '22 had hij van zijn voorzitterszetel af de kiezers beklaagd, 'geknecht' als zij waren door 'de partijbonzen, de partij tirannen en hun satellieten, naar wier pijpen zij bij de stembus mogen dansen. Onder de mom van democratie is de autocratie van enkele partij bazen ontstaan.'[2] Voor Colijn koesterde de Vos van Steenwijk een diepe verering; wellicht werd zij slechts overtroffen door zijn verering voor de vorstin. 'De Natie', zo zou hij kort voor de Duitse inval aan zijn ambtgenoot van de Tweede Kamer schrijven, 'heeft genoeg aan de Kroon; mits terzijde gestaan door enkele eerste rangs lieden.'[3] Weinig verzoend met de geest des tijds zou hij drie dagen na de bijeenkomst in het Paleis Noordeinde zijn tachtigste verjaardag vieren.

De vice-voorzitter van de Raad van State, jhr. mr. F. Beelaerts van Blokland, was die 7de juli in zijn acht-en-zestigste levensjaar. In een lange loopbaan, hoofdzakelijk doorgebracht in dienst van Buitenlandse Zaken, was hij onder meer gezant geweest in Peking. Zes jaar lang, van '27 tot '33, had hij de portefeuille van buitenlandse zaken beheerd. In laatstgenoemd jaar was hij vice-voorzitter van de Raad van State geworden en als zodanig eerste constitutioneel adviseur van de Koningin: een man, ervaren en schrander, maar met iets van die tot cynisme neigende gedesinteresseerdheid die men

  1. Aangehaald door Oud: Het jongste verleden, dl. I (1948), p. 229-31.
  2. A.v., p. 384.
  3. Brief van W. L. de Vos van Steenwijk aan J. R. H. van Schaik, 13 april 1940 (Algemeen Rijksarchief, collectie J. R. H. van Schaik, no. 83).

3