Pagina:Het Koninkrijk Deel 01 Voorspel (1969).djvu/15

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is niet proefgelezen

PALEIS NOORDEINDE

bij diegenen die krachtens hun functie de internationale en nationale politiek moeten volgen op posten die weinig mogelijkheden bieden tot direct ingrijpen, vaker aantreft.

Vaker. Niet altijd. Want bij koningin Wilhelmina wier mogelijkheden tot direct ingrijpen zeker niet ruimer waren, was van geen gedesinteresseerdheid sprake. Zij was verontrust en ongeduldig. Als eerste die avond het woord nemend, gewaagde zij al aanstonds van 'de zo uitermate zorgelijke internationale toestand.' 'Ik mag niet langer lijdelijk toezien, dat het vaderland aan partijoverwegingen ten offer zou vallen, en het is op grond hiervan dat ik U hedenavond om mij heen heb vergaderd teneinde de weg te vinden die Nederland voor dreigende onheilen behoede.' 'Eerste plicht der regering' zou het zijn, 'onze in het verleden teveel verwaarloosde defensieve kracht te versterken.' Waarna de Koningin, uitgesproken hebbend wat zij persoonlijk op schrift gesteld had, de leiding der verdere besprekingen aan baron de Vos van Steenwijk overdroeg: de Eerste Kamer prevaleerde boven de Tweede, ook hier. Zij bleef luisteren.

De Vos van Steenwijk bedankte. Fock nam het woord. Hem was het ontstaan van de kabinetscrisis niet duidelijk. Kon er niet het best een zakenministerie komen? De liberalen waren in elk geval bereid, voor de defensie alle medewerking te verlenen. Van Schaik, enige sympathisant in dit gezelschap met de vier katholieke ministers die Colijns bezuinigingsvoorstel afgewezen hadden, trok fors van leer: 'Het aantasten van de zorg voor de werkloosheid zou op het volk een zeer slechte indruk maken', betoogde hij; zo dacht ook 'de grote meerderheid in de Kamer' - het zou luttele weken later bij de val van het vijfde kabinet-Colijn blijken. 'Kamers en volk beiden', aldus van Schaik, 'zullen de grote uitgaven voor de defensie bereidwillig toestaan, mits ook voor de werklozen wordt gezorgd.'

Maar wil, vroeg Beelaerts, Colijn de werklozenzorg wel in het hart treffen? Was niet zijn enig streven, tegen te gaan dat lichtzinnig met geld zou worden omgesprongen? De Vos van Steenwijk viel hem bij. Zo ook Fock: wat wilde Colijn meer dan 'onnodige organisaties' opheffen, 'bijvoorbeeld bij de bestrijding der jeugdwerkloosheid'?

Neen, zei van Schaik, men heeft 'de zaak zelf willen aantasten en hij zou daarom ook de heer Romme wel eens willen horen.' Er was geen sprake van dat royaal met geld omgesprongen werd (De Vos van Steenwijk: 'De pers staat er vol van!') en zo er al van verspilling sprake was, ging van Schaik strijdlustig verder, dan kwam die ook bij defensie voor.

Beelaerts, oud-minister van buitenlandse zaken tenslotte, gooide het over een andere boeg: de internationale toestand was bedenkelijk. Hij wees er op, 'dat een ontknoping reeds in augustus mogelijk wordt geacht.' 'De heer

4