Pagina:Het Koninkrijk Deel 01 Voorspel (1969).djvu/16

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is niet proefgelezen

'EEN LEIDER' GEZOCHT

van Schaik' (kennelijk geprikkeld en zeker ad rem) 'vraagt tot wie de heer Beelaerts zich eigenlijk richt. Hij is het er namelijk geheel mee eens, de Kamer ook en de Rooms-Katholieke partij eveneens.' Beelaerts retireerde: 'hij had er slechts op willen wijzen dat men bij het oplossen van de moeilijkheden van de crisis ook dit punt vooral niet uit het oog moest verliezen.' Een scherpe woordenwisseling tussen van Schaik en de Vos van Steenwijk, waarbij de laatste de eerste gebrek aan staatsmansmoed verweet (men moest terwille van de defensie durven bezuinigen ook ten koste van de werkloosheidszorg), bracht de Koningin tot ingrijpen: konden de heren de crisis niet mede van buitenlands standpunt bezien? Het geschiedde.

Men was het er over eens dat onvermogen een regering te vormen, een deplorabele indruk zou maken. De gedachten zweefden vijf-en-twintig jaar terug, naar 1914, toen het land elk ogenblik in de eerste wereldoorlog betrokken had kunnen worden. 'Hare Majesteit de Koningin herinnert zich hoe die eendracht in 1914 een feit was. Kunnen wij die niet weer tot stand brengen?'

Allen hielden het voor wenselijk. Maar hoe? De Vos van Steenwijk besteeg twee stokpaardjes achter elkaar: de evenredige vertegenwoordiging deugde niet en de geest van het volk moest veranderd worden; dat laatste vraagstuk achtte hij overigens 'onoplosbaar'. Zijn defaitisme sprak de Koningin niet aan: men moest het nu reeds eens worden. Moest zij wellicht rechtstreeks het volk tot eendracht oproepen? De Vos van Steenwijk, van Schaik en Fock gaven op die vraag geen duidelijk antwoord, Beelaerts wel: hij achtte er het moment niet voor gekomen.

Weer kwam men op de kabinetscrisis. Van Schaik besprak alle mogelijke oplossingen, daarbij opmerkend dat het hem aanbevelenswaardig leek, de sociaal-democraten niet in de regering te betrekken. De Vos van Steenwijk zag 'de grote moeilijkheid' in 'het vinden van een leider'.

'De heer Fock: Een leider buiten de politieke partijen.'

'Hare Majesteit de Koningin vraagt of hij er een weet.'

'De heer Fock noemt, na even gedacht te hebben, de heer de Jonge' daarmee doelend op jhr. mr. B. C. de Jonge die vier jaar eerder als gouverneur-generaal van Nederlands-Indië, door ir. Mussert te ontvangen tijdens diens bezoek overzee, de schijn gewekt had, te sympathiseren met althans enkele van de beginselen van de NSB. Povere suggestie van de heer Fock! Van Schaik deed een andere: de Geer, voorzitter van de christelijk-historische Tweede Kamerfractie, eenmaal reeds minister-president in de jaren twintig: 'Zou hij de verschillende standpunten niet kunnen verzoenen? Hij bezit daartoe een groot talent.' Maar de Vos van Steenwijk twijfelde: wist de Geer wel genoeg af van buitenlandse politiek? 'Men moet roeien met de

5