Pagina:Het Koninkrijk Deel 02 Neutraal (1969).djvu/10

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is niet proefgelezen

EEN CONFLICT UIT I918

Nu zette hij door. Op 8 mei schreef hij een nota waarin hij tot de conclusie kwam, 'dat in het bijzonder een burgerminister een opperbevelhebber niet handhaven kon, die het geloof in zijn zaak heeft verloren of nooit heeft gehad.'[1] Vijf dagen later, op 13 mei, werd die nota in de ministerraad uitvoerig besproken; de Jonge's conclusie werd door zeven van zijn acht ambtgenoten onderschreven; alle zeven stelden zij op het voorbeeld van de minister van oorlog hun eigen aanblijven afhankelijk van het verdwijnen van de opperbevelhebber - de achtste die de zaak niet op de spits wilde drijven, was de premier (of, zoals het toen heette: de tijdelijke voorzitter van de ministerraad), Cort van der Linden.

Diens eerste taak was het nu, het aan generaal Snijders te verlenen ontslag met de koningin te bespreken. Aldus geschiedde, daags daarna al. 'Na afloop', aldus weer de Jonge, 'kwam Cort van der Linden mij het resultaat mededelen, Hare Majesteit wenste generaal Snijders niet te laten gaan. 'Hebt u haar dan niet gezegd', vroeg ik, 'dat dan niet ik alleen wegga, maar alle andere ministers behalve u zelf?' 'Zeker', antwoordde hij, 'maar Hare Majesteit was van mening dat men reizende heren niet moest ophouden.' 'Maar heeft Hare Majesteit dan in deze zaak niets aan de minister van oorlog te zeggen die er toch vrij nauw bij betrokken is?' 'Hare Majesteit heeft niets aan de minister van oorlog te zeggen.'[2]

Dan had de minister van oorlog wel iets te zeggen aan Hare Majesteit! Onmiddellijk vroeg de Jonge audiëntie aan: 16 mei om vijf uur kon hij op 'De Ruygenhoek' komen - en nu volgen wij verder zijn verslag:

'Ik was diep verontwaardigd; mijn zwakke punt was dat ik zó gelijk had, dat zeven ministers zich solidair met mij verklaard hadden. Daardoor was het niet meer de quaestie of ik uit het kabinet zou treden toen ik mijn verantwoordelijkheid niet meer dragen kon, maar was het de vraag of door mijn toedoen het gehele kabinet in de toenmalige omstandigheden zou aftreden. Ik was overtuigd dat de koningin op de daaraan verbonden moeilijkheden speculeerde om de opperbevelhebber te handhaven. Dit vond ik unfair en inconstitutioneel; laat de koningin elke ambtenaar naar welgevallen handhaven tegen de betrokken minister in, mits deze vrij is, daartegenover zelf terug te treden, maar als de omstandigheden zich daartegen verzetten, zoals zijzelf moest toegeven, dan is de handhaving van zulk een ambtenaar een aanfluiting van de ministeriële verantwoordelijkheid en een zeer unfaire daad tegenover de betrokken minister. Er vielen inderdaad harde woorden. Kort na de aanvang stond Hare Majesteit op om te zien of de deur goed gesloten was:' Ik geloof dat het beter is dat men buiten niet hoort wat wij tot elkaar zeggen.' Tot tweemaal toe was ik op het

  1. A.v., p. 43.
  2. A.v., p. 44.

3