Pagina:Het Koninkrijk Deel 02 Neutraal (1969).djvu/22

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is niet proefgelezen

INHULDIGING

Dat was hooggestemde taal, maar in de bijval welke hij van sommige liberalen kreeg die van oordeel waren dat mr. van Houten te ver gegaan was, zal wel mede een zekere ergernis over de socialistische en anarchistische agitatie een rol gespeeld hebben. Koning Willem III was in elk geval van grote delen van zijn volk volledig vervreemd geraakt.

In 1898 aanvaardde Wilhelmina de regering.


Jeugd en vorming van de koningin


'Thans is de ure gekomen waarin ik mij, te midden van mijn trouwe Staten-Generaal, onder aanroeping van Gods heilige naam, zal verbinden aan het Nederlandse volk, tot instandhouding van zijn dierbaarste rechten en vrijheden' - met die passage hief de korte toespraak aan die de jonge, pas achttien jaar geworden koningin op 6 september 1898 bij haar inhuldiging in de Nieuwe Kerk te Amsterdam uitsprak. 'Zo bevestig ik heden', zo vervolgde zij,

'de hechte band die tussen mij en mijn volk bestaat en wordt het aloude verbond tussen Nederland en Oranje opnieuw bezegeld. Hoog is mijn roeping, schoon de taak die God op mijn schouders gelegd heeft. Ik ben gelukkig en dankbaar, het volk van Nederland te mogen regeren - een volk, klein in zielental, doch groot in deugden, krachtig door aard en karakter. Ik acht het een groot voorrecht, dat het mijn levenstaak en plicht is, al mijn krachten te wijden aan het welzijn en de bloei van mijn dierbaar vaderland. De woorden van mijn beminde vader maak ik tot de mijne: 'Oranje kan nooit, neen nooit genoeg voor Nederland doen.''

Daarop volgde de eedsaflegging in de door de Grondwet voorgeschreven bewoordingen:

'Ik zweer aan het Nederlandse volk dat ik de Grondwet steeds zal onderhouden en handhaven. Ik zweer dat ik de onafhankelijkheid en het grondgebied des rijks met al mijn vermogen zal verdedigen en bewaren, dat ik de algemene en bijzondere vrijheid en de rechten van alle mijne onderdanen zal beschermen en tot instandhouding en bevordering van de algemene en bijzondere welvaart alle middelen zal aanwenden welke de wetten te mijner beschikking stellen, zoals een goed Koning schuldig is te doen. Zo waarlijk helpe mij God almachtig!'

Op de betekenis van de door de vorstin afgelegde eed komen wij terug. Hier willen wij allereerst wijzen op het kenmerkend feit dat haar korte

15