Pagina:Het Koninkrijk Deel 02 Neutraal (1969).djvu/23

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is niet proefgelezen

KONINGIN WILHELMINA

toespraak, ruim een weck tevoren aan de leden van het ministerie-Pierson toegezonden, 'gehéél haar eigen werk' was; 'wij hadden geen aanmerking, enkel lof', tekende de minister-president in zijn dagboek aan.[1] Die toespraak getuigde van een zelfbewustheid, van een vastheid van opvatting, van een kordaadieid en van een plichtsbesef die men in het algemeen in die mate bij zo jeugdige personen niet zal aantreffen en zeker niet gecombineerd. Er sprak een gevormde persoonlijkheid uit, hij stond bovendien in dezelfde strijdbare toonsoort als de toespraken die zij, meer dan veertig jaar later, tijdens de tweede wereldoorlog voor de Londense radio zou houden. En inderdaad: wie zich in het leven van koningin Wilhelmina verdiept, wordt onmiddellijk getroffen door het feit dat hij in aanraking komt met een, in wezen zichzelf gelijkblijvende, figuur van bijzondere kracht en van bedwongen heftigheid - kracht en heftigheid die al in haar jonge jaren gebleken waren. Op haar vader geleek zij in temperament, van haar Duitse moeder ('a tremendous personality', aldus een van Emma's nichten, 'full of courage and intelligence'[2]) had zij een complex van eigenschappen geërfd dat wij misschien nog het best met het begrip Tüchtigkeit kunnen aangeven. Heftigheid en Tüchtigkeit waren beide versterkt door de speciale verhoudingen waarin zij als kind en jong meisje opgroeide; verhoudingen waarin zij enerzijds aan heel veel minder, anderzijds aan heel veel meer dwang onderworpen werd dan leeftijdgenoten.

Enig kind was zij; dochter van (zo zag zij hem) 'een imposante, mannelijk stoere, rijzige vader, een echte koning: figuur, houding, gebaren, stem. Een ontzagwekkende vader', aldus Booy die naast zoveel andere waardevolle herinneringen van Wilhelmina ook deze vastgelegd heeft.[3] Ontzagwekkend voor het jonge prinsesje - en verwennend, 's Levens stormen waren goeddeels uitgewoed toen de meer dan zestigjarige koning dit lieftallig dochtertje als laat geschenk ontving: kon hij haar wensen inwilligen, dan deed hij zulks. Over de bladzijden die Wimelmina in haar Eenzaam maar niet alleen aan haar vader wijdt, hangt dan ook een waas van kinderlijk geluk. Zozeer greep zijn overlijden haar, de tienjarige, aan, dat zij enkele maanden lang niet meer groeide. 'Nog kort voor haar dood sprak zij mij over hem', aldus weer Booy, 'met een ontroerende, warme genegenheid en echte verering. Deze liefde was zo innig dat zij zijn fouten nimmer op zijn rekening zette maar steeds op die van anderen. En dat zij zich tomeloos

  1. Aangehaald door E. van Raalte in zijn inleiding bij Troonredes, openingsredes, inhuldigingsredes 1814-1963 (1964), p. XXX.
  2. Prinses Alice gravin van Athlone: For my grandchildren. Some reminiscences (1966), p. 39.
  3. Th. Booy: Het is stil op Het Loo .... Overpeinzingen in memoriam Koningin Wilhelmina (1963), p. 101.

16