Pagina:Het Koninkrijk Deel 02 Neutraal (1969).djvu/39

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is niet proefgelezen

KONINGIN WILHELMINA

minister-president als representant van het kabinet: 'Cort van der Linden kwam bijna iedere dag om tien uur 's morgens bij mij om (de) vraagstukken met mij te bespreken. Er gebeurde haast iedere dag iets, dat ons belang benadeelde en waartegen onmiddellijk opgekomen moest worden. Ik zorgde er voor reeds op dat uur volkomen beslagen ten ijs te zijn.'[1] Zou het dan toeval zijn dat het kabinet van deze, zich op samenwerking instellende minister-president het enige was dat in haar levensherinneringen een lovende vermelding kreeg? Van de periode 1898 tot 1940 als geheel mag gezegd worden dat Wilhelmina zelf het gevoel had, dat het staatsbestel (minder de geschreven Grondwet dan de ongeschreven regels en gewoonten) het haar niet mogelijk maakte, tot de bepaling van het regeringsbeleid in al zijn aspecten de bijdrage te leveren die zij zelf als bevredigend beschouwde. Zij die de op de achtergrond blijvende leidster van haar volk wilde zijn, als het ware een herboren Willem de Zwijger, kon dat leiderschap niet uitoefenen; dat wekte in haar een irriterende gefrustreerdheid. Want hoezeer ook de ministers staatkundige verantwoordelijkheid droegen voor het wel en wee der natie, de historische en laatste verantwoordelijkheid meende koningin Wilhelmina zelf te torsen. Zij ging er vaak zwaar onder gebukt. Want haar mogelijkheden tot ingrijpen waren beperkt.

Beperkt, maar niet afwezig. Niet in normale tijden; nog minder wanneer een kabinet zijn ontslag ingediend had: dan rustte immers op haar de taak, een nieuwe formateur aan te wijzen. Dat was een moment van grotere staatkundige vrijheid. Zij kon bredere informatie inwinnen dan gewoonlijk; zij kon bovendien, gehoord die informatie, aan het verlenen van de opdracht bepaalde voorwaarden verbinden die, door de formateur aanvaard, punten werden in het program van het nieuwe kabinet. Zo ontving Kuyper, de drie-en-zestigjarige staatsman, in 1901 eerst de opdracht tot kabinetsformatie nadat hij in vier precies omschreven voorwaarden had toegestemd die hem onvervaard door de twintigjarige koningin gesteld waren: het nieuwe kabinet moest tot stand komen in samenwerking met de Rooms-Katholieke Staatspartij en de overige groepen van de rechterzijde; het beleid van generaal van Heutsz in Atjeh voortgezet worden; de Nederlandse neutraliteit ten aanzien van de Boerenoorlog in Zuid- Afrika gehandhaafd; en de militie moest volgens de denkbeelden van een der generaals, generaal W. Cool, op peil blijven.[2]

Die grotere staatkundige vrijheid waarover de koningin bij het verlenen van een formatie-opdracht beschikte, was uiteraard niet onbegrensd: haar

  1. Koningin Wilhelmina: Eenzaam maar niet alleen, p. 161.
  2. G.J. Lammers: De kroon en de kabinetsformatie, p. 81.

32