Pagina:Het Koninkrijk Deel 02 Neutraal (1969).djvu/41

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is niet proefgelezen

KONINGIN WILHELMINA

Troonrede voor. Die blocnote-aantekeningen vormden dan de grondslag voor de deswege verder in de ministerraad dienomtrent te voeren besprekingen.'[1]

Het laatste woord lag bij die ministerraad.



Er is reden, aan te nemen dat Wilhelmina, als koningin optredend, hoe breed ook de staatkundige voorlichting geweest was die enkele hoogleraren haar gegeven hadden, zich aanvankelijk niet ten volle bewust geweest is van de mogelijkheden tot ingrijpen die het staatsbestel haar bood. Dat ingrijpen beschouwde zij als haar recht en als haar plicht. Een eerste impuls in die richting was al van koningin Emma gekomen, 'het waren de gesprekken met moeder, die de eerste grondslagen voor mijn zedelijke moed legden.'[2] Een tweede impuls kwam uit de militaire sector:

'Later werd hierop voortgebouwd door het lezen van de Atjeh-rapporten en de andere expeditierapporten, die de moed van de krijgsman illustreerden... Ik kreeg deze van moeder juist op de leeftijd, dat het heldhaftige, het fiere, zo sterk tot de verbeelding spreekt.

Daarna kwam het bezoek van van Heutsz en zijn staf[3]—dit was voor mij de ontmoeting met een sterk reëel leven. Daarginds werd een waarlijk groots werk verricht; er was dus groots werk in de wereld te doen, er waren taken die meer vroegen dan stiptheid en toewijding. Een nieuwe wereld ging bij dit bezoek voor mij open. Maar wat moest ik met deze inspiratie doen? De weg van deze mannen kon niet de mijne zijn. Toen verscheen mij de gedachte, dat ik de eigenschappen, die zij op het strijdtoneel ten toon spreidden, moest transponeren in dezulke, die op mijn terrein bruikbaar waren en mèt de gedachte was er eigenlijk tevens het besluit al dit te doen: voortaan iemand te zijn die met zedelijke moed haar taak verrichtte en daartoe haar wilskracht aanwendde. Voorgoed was toen weggevaagd het gevoel van onzekerheid en de gedachte, dat er niets te presteren viel. Ik kon ook binnen de door de constitutie gestelde grenzen iets wezenlijks doen, als ik dit maar wilde en moedig volhield.'[4]

Een belangrijke passage - historisch een van de belangrijkste uit Eenzaam maar niet alleen; belangrijk ook, omdat zij onderstreept, hoezeer Wilhelmina

  1. E. van Raalte: Troonredes, openingsredes, inhuldigingsredes, p. XXXIV.
  2. Koningin Wilhelmina: Eenzaam maar niet alleen, p. 141.
  3. A.v., p. 112. Dit bezoek viel in 1901.
  4. A.v., p. 142.

34