Pagina:Het leven der bloem (1900).djvu/124

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen
112
BESTUIVING VAN KLEINBLOEMIGE


denheid van vormen overal duidelijk te voorschijn treedt. Dit beginsel der bloemgroepen is de vereeniging van kleine, elk afzonderlijk weinig in 't oogvallende bloempjes tot bepaalde, scherp begrensde groepen, die groot genoeg zijn om door insekten reeds op een afstand gezien te worden. Het doel is, gelijk ik reeds opmerkte, steeds weer hetzelfde: de verzekering der bestuiving door de insekten. Kort uitgedrukt, is het beginsel waarop de bloemgroepen berusten eenvoudig dit: "Eendracht maakt macht." Elk bloempje op zich zelf zou ongezien en on bestoven blijven; allen vereenigd kunnen zij hun doel even goed bereiken als de meer bevoorrechte, grootere bloemen.

Fig. 55.


Het leven der bloem (1900) p124 fig55.jpg


Bloemhoofdje van de Ganzebloem.

Is eenmaal dit beginsel van samenwerking aangenomen, zoo geeft het aanleiding tot een reeks van gevolgen, waarvan wij een paar der meest sprekende voorbeelden willen aanhalen, die tegelijkertijd in 't algemeen een denkbeeld van het belang der bloemgroepen voor het insektenbezoek kunnen geven. Wat de bedoelde gevolgen zijn, zal men uit het volgende lichtelijk kunnen opmaken. Niet zelden bezitten de tot een bloemgroep vereenigde bloemen de in het plantenrijk zoo algemeen verspreide eigenschap dat hare meeldraden en stampers niet gelijktijdig bloeien, maar dat de laatsten eerst voor stuifmeel ontvankelijk worden, nadat de eersten reeds lang al hun stuifmeel verloren hebben. Wij weten dat in zulke bloemen steeds kruisbestuiving plaats moet vinden, en wel