Pagina:Het leven der bloem (1900).djvu/139

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd
127
DE BESTUIVING VAN BLOEMEN DOOR DEN WIND.


honigkliertje tot aanlokking der insekten geplaatst is, 't welk bij de windbloemen niet voorkomt. De figuren 61 en 62 leeren ons, hoe ook hier de bloempjes òf alleen meeldraden, òf alleen stampers bezitten. Behalve deze deelen bestaat de bloem slechts uit een klein geelachtig bruin schubje, dat meestal fraai zijdeachtig behaard is. Het aantal meeldraden in een mannelijke bloem bedraagt bij de meeste soorten van Wilgen twee; daarentegen bezit de vrouwelijke bloem steeds slechts één stamper, die gewoonlijk op een korter of langer steeltje geplaatst is.

Groot voordeel heeft het voor bloemen, wier bestuiving geheel van den wind afhankelijk is, dat zij in kleine groepen bijeen geplaatst zijn. Hoe dichter toch de wolkjes stuifmeel zijn, des te minder zal er van dit kostbare poeder verloren behoeven te gaan. Doch ook voor de vrouwelijke bloemen is het van belang dicht bijeen op zulke plaatsen te staan, waarlangs de wind het stuifmeel gemakkelijk voert. Het is dan ook een vrij algemeene regel bij planten met windbloemen, dat hare bloemen in groepen bijéén geplaatst zijn. Een paar voorbeelden daarvan mogen hier nog een plaats vinden.

De geheele familie der Grassen, waartoe, gelijk bekend is, ook de granen behooren, is uitsluitend voor de bestuiving door den wind ingericht. Hare groote, meest pluimvormige stempels, en hare bewegelijke, ver uit de bloemen uitstekende meeldraden met hun stuivend stuifmeel, leeren ons dit ten duidelijkste.

De bloemen der Grassen vormen tweeërlei soort van bloemgroepen, al naar gelang der grassoort tot welke zij behooren. Zij zijn bekend onder den naam van pluim, wanneer zij wijd vertakt zijn en een min of meer pyramidalen vorm bezitten: daarentegen dragen zij den naam van aar, zoo alle bloempjes, tot kleine groepjes vereenigd, ongesteeld aan den algemeenen bloemsteel zitten, en het geheel dus een lang smal voorwerp vormt. Beide soorten van bloemgroepen komen aan de grassen onzer weilanden en gazons algemeen voor: beide zijn ook bij de granen vertegenwoordigd. Onder de granen toch herkent men den haver aan zijn pluim, welks fijne takken aan den top kleine groepjes van hoogst eenvoudig gebouwde, en in groene schutblaadjes weggedoken bloemen dragen. De tarwe, de rogge