Pagina:Het leven der bloem (1900).djvu/14

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd
2
BESTUIVING EN BEVRUCHTING.


ving onderscheidt. Wat mag wel de beteekenis hiervan wezen, dat een bloem zich steeds tusschen de groene bladeren tracht schuil te houden, en dan plotseling, juist als zij zich opent en hare teedere deelen schijnbaar het meest bescherming noodig hebben, alle middelen aanwendt om de oogen op zich te vestigen? De beantwoording van deze belangrijke vraag zal een voornaam deel van den inhoud van deze bladzijden uitmaken.

Gedurende den knoptoestand zijn de teedere deelen der bloem door een buitensten krans van stevige groene blaadjes, den zoogenaamden kelk, bedekt. Binnen dit beschuttend omhulsel kunnen zij zich veilig ontwikkelen, en zich langzamerhand voorbereiden tot het vervullen van de rol die zij tijdens het bloeien te spelen zullen hebben. Het is de moeite waard eens een bloemknop, b.v. van een Papaver, te openen en deze voorbereiding der organen te bespieden. In dien toestand ziet men gewoonlijk de bloemkroon nog zeer klein en ongekleurd; de overige deelen zijn in den regel reeds vrij vroeg ontwikkeld.

Is deze ontwikkeling der deelen afgeloopen, en hebben alle hun eigenaardigen vorm en kleur aangenomen, en ook ongeveer de grootte bereikt die zij later hebben moeten, zoo is de tijd voor 't ontluiken daar. Er behoeft nog slechts een warme dag afgewacht te worden, en de groene kelkblaadjes splijten uiteen, om aan bloemkroon, meeldraden en stamper de gelegenheid te geven zich vrijelijk te ontplooien. In enkele gevallen, gelijk bij de Papaver en den Wingerd, wordt zelfs de groene kelk bij die gelegenheid afgeworpen: zijn rol bestond slechts in het beschermen der overige deelen tijdens hun jeugd, en is nu afgespeeld.

In het dagelijksch leven onderscheidt men in een bloem de gekleurde bloemkroon (ten onrechte dikwijls kelk genoemd) en het zoogenaamde hartje. Dit laatste bestaat, bij nauwkeurige beschouwing, uit tweeërlei soort van organen. Het middelste heet de stamper, is meest groen van kleur, en uit drie duidelijk onderscheiden deelen samengesteld. Aan een stamper onzer Primula's onderscheidt men een vrij groot, kogelrond vruchtbeginsel (fig. 2c), en een dunne stijl (fig. 2sty), die aan