Pagina:Het leven der bloem (1900).djvu/161

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen
149
HET ONTSTAAN VAN BASTAARDEN.


de aardbeziën. In de tweede helft der vorige eeuw kende men vijf echte soorten van aardbeziën, en eenige weinige variëteiten; van deze soorten komen twee in Europa in het wild voor, de drie anderen waren uit Amerika ingevoerd. De talrijke zoogenoemde soorten van aardbeziën, die tegenwoordig gekweekt worden, en wier aantal verscheiden honderden bedraagt, stammen alle van deze vijf oorspronkelijke vormen af. Het grootste aandeel daaraan hebben de drie amerikaansche soorten; van deze had men reeds omstreeks het begin dezer eeuw opgemerkt, dat men ze zeer gemakkelijk kruisen kon, en dat de zoo verkregen bastaarden zeer gemakkelijk varieerden; door verdere kruising dezer pas ontstane variëteiten is de groote menigvuldigheid van vormen ontstaan die men thans kent. Vele der nieuwe soorten laat men verloren gaan, omdat ze geen bijzondere nuttige eigenschappen vertoonen, andere, die groote of bijzonder smakelijke vruchten opleveren, tracht men te behouden en te vermenigvuldigen, iets waartoe de uitloopers dezer planten een zeer gemakkelijk middel aan de hand doen.

Evenals bij de aardbeziën zijn de meeste vormen onzer rozen, Calceolariën, Pelargoniën en van talrijke andere veelvormige geslachten van tuinplanten door kruising van enkele oorspronkelijke soorten verkregen, zoodat de zoogenoemde hybride bestuiving in de horticultuur een zeer belangrijke rol speelt. Men heeft echter het belang van deze operatie wel eens te hoog geschat, en gemeend, dat de talrijke vormen van de genoemde en van andere plantengeslachten uitsluitend aan haar te danken waren. Dit nu is geenszins waar. De gewone variatie, die onafhankelijk van kruising plaats vindt, speelt hierbij een even groote, ja somwijlen een grootere rol dan de kruising. Ik wensch dit met enkele woorden toe te lichten. Het is thans algemeen bekend, dat geen twee individuen derzelfde soort volkomen aan elkander gelijk zijn. Evenmin bij planten als bij dieren komt ooit een dergelijke volkomen gelijkheid voor. Integendeel, meestal vertoonen de individuen van een zelfde zaaisel onderling zoodanige verschillen, dat men ze bij eenige oplettendheid gemakkelijk opmerken kan.