Pagina:Het leven der bloem (1900).djvu/162

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen

150

HET ONTSTAAN VAN BASTAARDEN.



Deze verschillen zijn bij verschillende gewassen in zeer ongelijke mate ontwikkeld. Bij sommige soorten schijnen op het eerste gezicht alle exemplaren volkomen gelijkvormig te zijn, bij andere wijken zij zoo in het oog loopend van elkander af, dat men geneigd is er bijzondere rassen of variëteiten van te maken. In de natuur overschrijden deze verschillen onder de gewone omstandigheden en in beperkte tijdsruimten zekere grenzen niet, en wel om de zeer eenvoudige reden, dat de meest afwijkende exemplaren voor het leven op de hun aangewezen groeiplaats in den regel het minst geschikt zijn. Zij brengen het dus niet tot volle ontwikkeling, dragen dus geen rijpe zaden, en hunne afwijking sterft met hen uit. Deze omstandigheid, die van zeer groot belang is, doch die wij hier niet verder kunnen vervolgen, houdt in de natuur de soorten gewoonlijk zoolang rein, als geen belangrijke veranderingen plaats grijpen in de omstandigheden, waaronder zij leven. Zoodra een plant uit de natuur door den mensch in cultuur genomen wordt, wordt dit anders. Want in den regel brengt het belang van den kweeker mede, zijne planten zooveel mogelijk te laten varieeren. Eensdeels doet hij dit om talrijke vormen in den handel te kunnen brengen, anderdeels om uit de ontstaande vormen diegene te kunnen uitkiezen, die de eigenschappen, welke het doel der cultuur zijner plant zijn, in de hoogste ontwikkeling bezitten. In plaats van dus de afwijkende vormen in den strijd voor het bestaan te laten omkomen, zal de horticultuur deze vormen met bijzondere voorliefde behandelen en ze tegen alle schadelijke invloeden zooveel mogelijk beschermen. Het gevolg zal zijn, dat zij niet uitsterven, maar zich voortplanten en weer tot nieuwe afwijkingen aanleiding geven. In den loop van weinige geslachten zal op deze wijze een soort, die in de natuur schijnbaar zeer constant is, zich in talrijke variëteiten gesplitst hebben. Vandaar dat gekweekte soorten in het algemeen zooveel sterker varieeren dan wilde. Het is niet onwaarschijnlijk dat de cultuur deze veranderlijkheid ook nog op andere wijze bevordert, toch is dit nog niet zeker, daar de veranderlijkheid in den wilden toestand, hoe vreemd dit ook schijnen moge, uiterst moeilijk te onderzoeken is; en