Pagina:Het leven der bloem (1900).djvu/28

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd
16
BESTUlVING EN BEVRUCHTING.


bloeit, maar volstrekt geen vrucht zet. De andere plant, die in de vrije lucht er naast staat en door talrijke insekten bezocht wordt, zal daarentegen in ruime mate vruchten vormen. Hieruit volgt ten duidelijkste, dat de insekten voor de bestuiving noodzakelijk zijn. Onderzoekt men van tijd tot tijd de bloemen der afgesloten plant, zoo zal men de stempels vrij van stuifmeel vinden, de meeldraden echter nog bedekt met dit poeder.

Tal van planten geven, aan de beschreven proef onderworpen, hetzelfde resultaat: zij kunnen zich niet zelf bestuiven, maar hebben daartoe de hulp der insekten noodig. Tal van andere planten bezitten daarentegen de eigenschap, ook zonder vreemde hulp het stuifmeel op den stempel te kunnen brengen; zij zullen ook onder de klok vrucht zetten. In het eerste geval verkeeren in het algemeen de planten met groote, fraai gekleurde, of zonderling gevormde bloemen; zij worden in de natuur zoo veelvuldig door insekten bezocht, dat zelfbestuiving bij haar overbodig is en dienovereenkomstig ontbreekt. De minder bevoorrechte, kleinbloemige planten, die op verre na zooveel niet door insekten bezocht worden, kunnen de genoemde eigenschap niet zonder gevaar missen, en het kan ons dus niet verwonderen, dat wij bij haar algemeen, naast de bestuiving door insekten, ook de mogelijkheid van zelfbestuiving aantreffen.

Gaan wij er thans toe over, uiteen te zetten wat de gevolgen der bestuiving zijn, zoo is het in de eerste plaats noodzakelijk de vraag te beantwoorden, of het onverschillig is hoeveel stuifmeel op een stempel gebracht wordt, of de geringste hoeveelheid reeds voldoende is om bevruchting teweeg te brengen. Hierover werden reeds in het midden der vorige eeuw door Koelreuter proeven genomen. Daarbij bleek, dat steeds een bepaald aantal stuifmeelkorrels noodig is, doch dat gewoonlijk een veel grootere hoeveelheid op den stempel gebracht wordt. Tegenover de overgroote menigte stuifmeelkorrels, die in de meeldraden van één enkele bloem gevormd worden, is het aantal benoodigde korrels slechts zeer gering. Zoo vond hij dat een bloem van den venetiaanschen Hibiscus ongeveer 5000