Pagina:Het leven der bloem (1900).djvu/39

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd
27
BESTUIVING EN BEVRUCHTING.


en de bladen uit zal groeien; tegenover dezen knop wordt de jonge wortel aangelegd. Hoe dit alles geschiedt, is zonder uitvoerige beschrijving en talrijke nauwkeurige afbeeldingen moeilijk te begrijpen; voor ons doel is het echter genoeg te weten, dat alle deelen van het jonge plantje, zooals wij dit in miniatuurtoestand in het rijpe zaad vinden, alle uit de kiem, en dus uit de eicel, ontstaan.

Terwijl de kiem al deze veranderingen ondergaat, blijven ook de overige deelen van den zaadknop niet in hun vroegeren toestand. Ten eerste neemt de geheele zaadknop snel in grootte toe, en wordt daardoor tot het jonge zaad. De beide omhulsels groeien tot de beide deelen van de zaadhuid uit, het binnenste blijft teeder en vliezig, het buitenste wordt langzamerhand hard en stevig. Het weefsel van de kern verdwijnt, daar de kiemzak zoo sterk groeit, dat hij het geheel verdringt. In den kiemzak ontstaan talrijke cellen, die weldra tot een weefsel aaneensluiten, dat in vele rijpe zaden een krijtwitte kleur bezit, en daarom kiemwit genoemd wordt. In vele andere zaden ontbreekt dit weefsel geheel. Waar het voorkomt dient het tot bewaring van voedingstoffen voor de jonge plant, die zich later uit de kiem zal ontwikkelen. Vandaar dat zaden met sterk ontwikkeld kiemwit, b.v. onze granen, ook voor den mensch zeer voedzaam zijn. Zaden zonder kiemwit hebben het noodige voedsel in de deelen van de kiem zelve, en wel voornamelijk in de zaadlobben, opgehoopt.

Trachten wij nog eens, in korte trekken ons het beschrevene voor den geest te roepen. Nadat door insekten, door den wind of door andere oorzaken het stuifmeel op den stempel gebracht is, voeren zijne korrels hun inhoud door middel van buizen naar de zaadkoppen. In deze dringt een deel van den inhoud door het verweekte einde der buis door, om de eicel te bevruchten. Het gevolg daarvan is, dat de eicel zich verder ontwikkelen kan; zij splitst zich achtereenvolgens in een aantal cellen, die weldra te zamen den vorm van een plant in miniatuur aannemen. In dezen toestand vinden wij de kiem in het rijpe zaad, en zoodra dit onder gunstige omstandig-