Pagina:Het leven der bloem (1900).djvu/81

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen

69

VOOR DE BESTUIVING DOOR INSEKTEN.



Een van de meest merkwaardige planten, ten opzichte van het aanlokken van insekten door de kleur der bloemkroon is de gewone blauwe Korenbloem (Centaurea Cyanus. fig. 36). Wie kent niet "de blauwe bloempjes in het koren"? Doch wie heeft zulk een bloempje wel eens nauwkeurig bekeken en gezien wat er merkwaardigs aan op te merken valt? Wie weet, dat de korenbloem niet een enkele bloem, maar een verzameling van talrijke kleinere bloempjes is, en dat deze onderling op de merkwaardigste wijze verschillen? De buitenste bloemen toch, met haar fraai blauwe bloemkroon, vallen terstond in het oog. Ten deele tusschen haar verscholen, staan in 't midden een groep van donkerpaars gekleurde bloemen, wier bloemkroon veel kleiner is en slechts bij nauwkeurig onderzoek gezien wordt. Doch het belangrijkste verschil ligt daarin, dat, terwijl de binnenste bloemen meeldraden en stampers bezitten, deze beide organen in de buitenste bloemen in het geheel niet worden aangetroffen. Elke middelste bloem (fig. 36 B en C) bestaat van onderen uit een korten, steelvormigen bloembodem, waarin het vruchtbeginsel ligt; daarop zijn de kelk en de kroon ingeplant. De kelk is een krans van fijne haren, die later op de vrucht (fig. 36 F) nog aangetroffen wordt en daar, als vruchtpluis, voor de verplaatsing der zaden door den wind dient. De bloemkroon is buisvormig, van onderen nauw, naar boven toe iets wijder wordend; zij loopt in vijf smalle slippen uit. De helmknoppen der vijf meeldraden zijn tot een kokertje vergroeid, waardoor de stijl heengaat, om boven de meeldraden den stempel te dragen.

Geheel anders zijn de buitenste bloemen gevormd.

Bloembodem en kelk zijn bij haar slechts hoogst onvolledig ontwikkeld, meeldraden en stampers hebben zij in 't geheel niet. Zij bestaan dus, om zoo te zeggen, alléén uit de bloemkroon. Linnaeus, voor wien de meeldraden en stampers de hoofdzaak zijner studie uitmaakten, dacht dat het bestaan van zulke bloemen geheel te vergeefs was, en drukte deze meening ook uit in den naam der orde, waarin hij de korenbloem rangschikte. Sprengel echter toonde aan, dat deze beschouwing onjuist was, en dat de leege bloempjes wel degelijk een be-