Pagina:Het leven der bloem (1900).djvu/86

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen

74

DE BETEEKENIS DER BLOEMKROON.



kan worden, terwijl zij toch voor de insekten met korteren zuiger te diep ligt. In de tweede plaats liggen de meeldraden en de stempel steeds op den weg, dien het insekt volgen moet om tot den honig te geraken; het is dus onvermijdelijk dat tijdens den bloei der meeldraden het stuifmeel door de gevleugelde bezoekers wordt medegenomen, en weer aan den stempel, wanneer deze kleverig geworden is, wordt afgegeven. Behalve deze beide algemeene regels zijn er nog een aantal bijzondere, die steeds ten doel hebben, aan bepaalde soorten het bezoeken der bloemen en het vinden van den honig gemakkelijker te maken, en hen tevens te dwingen, daarbij langs stuifmeel en stempel te strijken. Andere bizonderheden dienen weer tot uitsluiting van andere insekten.

De insekten, die door de vormen der bloemen, die wij nu gaan bespreken, het meest bevoorrecht worden, behooren voornamelijk tot de groep der bijen en hommels, of tot de groote familie der vlinders en uiltjes. Hun bijzonder lange, tot zuigorganen ingerichte monddeelen stellen hen in staat, ook zeer diep verborgen honig te bereiken.

Beschouwen wij thans eenige der voornaamste vormen van bloemkronen van het standpunt, dat wij zooeven geschetst hebben. Twee middelen zijn het vooral, die de natuur hier tot bereiking van haar doel gebruikt: ten eerste het dichte aaneensluiten van de losse blaadjes, waaruit de bloemkroon bestaat, en ten tweede, op een hoogeren trap van volkomenheid, de vergroeiing van deze blaadjes onderling tot een orgaan, dat onder talrijke verschillende vormen toch steeds in hoofdzaak een nauwere of wijdere buis blijkt te zijn.

Als voorbeelden van gesloten bloemen met vrije bloembladen wensch ik de Muurbloem, de Anjelier en de Erwt eenigszins uitvoeriger te beschrijven.

De Muurbloem (Cheiranthus Cheiri) behoort tot de familie der kruisbloemige planten, die door hare vier, in een kruis geplaatste bloembladen, door hare vier lange en twee korte meeldraden, en door een aantal verdere eigenschappen zoo volkomen gekenmerkt zijn, dat wie eens zulk een bloem in al hare deelen nauwkeurig gadesloeg, later hare verwanten