vast aan een cultuur-tijdperk; evenals de ekstatische schouwingen van het al-eene leidt zij af van alle cultuur. Zij hoort tot geen bijzonder beschavingstijdperk. Vandaar zoowel haar twee duizend uitgaven, als de mogelijkheid van een twijfel omtrent den auteur en den tijd van ontstaan, die twee eeuwen verschil toeliet. Thomas had het "Ama nesciri" niet vergeefs gezegd.
XI
DE DENKVORMEN IN DE PRAKTIJK
Men moet de hechte vormen van het denken niet enkel bestudeeren aan de
voorstellingen van het geloof en de hoogere bespiegeling, maar evengoed
aan die van de dagelijksche levenswijsheid en de nuchtere praktijk. Dan
eerst kan de middeleeuwsche geest als een eenheid en een geheel worden
gezien. Want het zijn dezelfde groote denkrichtingen, die zijn hoogere
en zijn lagere uitingen beheerschen. En terwijl op het gebied van geloof
en bespiegeling steeds de vraag aan de orde blijft, in hoeverre de
gedachtenvormen resultaat en weerklank zijn van een lange schriftelijke
traditie, die tot in Grieksche en Joodsche, ja Egyptische en
Babylonische oorsprongen reikt, ziet men ze in het gewone leven naïef en
spontaan werken, onbeladen met het gewicht van neoplatonisme en wat niet
al.
In het dagelijksch leven denkt de middeleeuwsche mensch in dezelfde vormen als in zijn theologie. De grondslag is zoo hier als daar dat architecturale idealisme, dat de scholastiek realisme noemde: de behoefte om elke notie af te zonderen en vorm te geven als een wezenheid, en om ze samen te schikken in hiërarchische verbanden, er altijd weer tempels en kathedralen van te bouwen, als een kind, dat met blokken speelt.
Alles wat zich in het leven een vaste plaats verovert, wat levensvorm wordt, geldt als geordineerd, zoo goed als de hoogste dingen in het goddelijke wereldplan. Zeer duidelijk openbaart zich dit bijvoorbeeld in de opvatting van de regelen der hofetikette bij de beschrijvers van den