maar niet specifiek humanistisch.[1] Herinneren wij ons, dat Jean de Monstreuil en Gontier Col dezelfden zijn, die wij als geestdriftige vereerders van den Roman de la rose leerden kennen, en als leden van den Cours d'amours van 1401. Geeft het niet te verstaan, welk een uiterlijk levenselement dit vroege Humanisme nog is geweest? Het is eigenlijk niet dan een versterkte werking van de middeleeuwsche schooleruditie, en verschilt weinig van die oplevingen van klassieke latiniteit, die Alcuin en de zijnen tijdens Karel de Groote te zien geven, en de Fransche scholen der twaalfde eeuw opnieuw.
Hoewel dit eerste Fransche Humanisme nog, zonder onmiddellijke voortzetters te vinden, uitbloeit in den kleinen kring der mannen, die het gekweekt hadden, zit het toch reeds vast aan de groote internationale geestesbeweging. Petrarca is voor Jean de Monstreuil en de zijnen reeds het illuster voorbeeld. Ook Coluccio Salutati, de Florentijnsche kanselier, die in het midden der veertiende eeuw de nieuwe Latijnsche rhetoriek in de taal der staats-acten had ingevoerd, wordt herhaaldelijk door hem genoemd.[2] Petrarca is evenwel, als men het zoo zeggen kan, in Frankrijk nog opgenomen in den middeleeuwschen geest. Wanneer inderdaad, gelijk Paulin Paris vermoedde,[3] Machaut's Peronne d'Armentières bij haar zucht naar een dichterlijk liefdesverkeer niet enkel door het voorbeeld van Heloïse, maar ook reeds door dat van Laura bezeten is geweest, dan levert Le Voir-Dit een opmerkelijk getuigenis, hoe een inspiratie op het werk, waarin wij vooral den advent van de moderne gedachte zien, toch weder een zuiver middeleeuwsche schepping kon opleveren.
Het was overigens niet als Laura's dichter, dat Petrarca buiten Italië zijn naam verworven had. Hij is voor Jean de Monstreuil de "devotissimus, catholicus ac celeberrimus philosophus moralis."[4] Ook als zoodanig wordt hij nog opgenomen in de echt middeleeuwsche gedachte. Er is sprake van betrekkingen tusschen Petrarca en Geert Groote. Jean de Varennes, de geestdrijver van Saint Lié,[5] ontleent voor een nieuw gebed, dat hij samenstelt, den tekst aan Petrarca: Tota caeca christianitas. Hij roept diens gezag in, om zich te vrijwaren voor de verdenking van ketterij.[6] Dionysius de Kartuizer neemt uit Petrarca's De Vita solitaria een klacht over om het verlies van het heilige graf; "maar omdat de stijl van Franciscus rhetorisch en moeilijk is, zal ik liever den zin dan den vorm van Franciscus' woorden aanhalen."[7]
De schoone geesten in Frankrijk werden nog tot een bijzonderen ijver in hun klassieke letteroefeningen geprikkeld, om den schimp van hun bewonderden Petrarca, dat buiten Italië geen redenaars en dichters te zoeken waren,[8] te logenstraffen. Nicolas de Clemanges en Jean de Monstreuil komen tegen zulk een uitspraak in verzet.[9]
Evenals Petrarca is ook Boccaccio om zijn moraliseerende geschriften vermaard, als de beschrijver van het lot der beroemde mannen, "le docteur de patience en adver-
- ↑ Ep. 40, col. 1388, 1396.
- ↑ Ep. 59, 67, col. 1427, 1435.
- ↑ Le livre du Voir-Dit, p. xviii.
- ↑ Ep. 38, col. 1385.
- ↑ Zie hierboven p. 324.
- ↑ Gerson, Opera, I p. 922.
- ↑ Dion. Cart., t. XXXVII p. 495.
- ↑ Petrarca, Opera, ed. Bazel 1581, p. 847.
- ↑ Clemanges, Opera. Ep. 5, p. 24; J. de Monstr., Ep. 50, col. 1428.