Pagina:HuygensCornelieDarwinMarx1901.djvu/128

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is niet proefgelezen

117

perk brengt, in verband met het geheel der verschijnselen, zijn groote geesten voort, maar de stralenkrans van hun genie kan niet anders dan tanen door onhandige pogingen, om hen uit dat verband te rukken en in het oneigenlijk kader van een later tijdperk, waarin zij anachronismen zijn, over te plaatsen.

Indien in komende eeuwen ooit een intellectueele strooming, als Neo-Marxisme of Neo-Darwinisme, zich baan breekt, zal dit niet verhoogen den roem dier twee Meesters, maar alleen bewijzen, dat na hen geen vorderingen van eenige beteekenis meer op hun terrein werden gemaakt. Elke Neo-beweging op eenig gebied, beteekent uit den aard der zaak armoede, gemis aan eigen bloedsvernieuwing.

* *
*

Gaan wij thans na de aanspraken, welke de Neowijsgeeren doen gelden, dan wordt ons, behalve de kritische methode van Kant,—waarover later—zijn ethiek voorgehouden.

"Bekende Kantianen zijn begonnen de kennis-kritiek tot sociaal-politiek gebied uit te breiden en de Kantsche ethiek aan te nemen als grondslag van het socialisme"[1]. Zelf vurig Kantiaan, noemt Vorländer achtereenvolgens Cohen, Stammler, Natorp, Staudinger e.a. als diegenen, van wie hoofdzakelijk "de nieuwe grondstellingen" van het socialisme uitgaan. Het vindt volgens hem zijn onmiddelbaarste aanknoopingspunten

  1. Karl Vorländer. "Kant und der Socialismus." Inleiding.