Pagina:HuygensCornelieDarwinMarx1901.djvu/130

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd

119

Men behoeft zich niet te vragen, of de sociaal-politicus Bernstein zich ooit ten volle rekenschap heeft gegeven van de natuurphilosofische grondslagen van de theorie door hem verkondigd. Zijn schier minachtend afwijzen van het "materialisme" van Marx, zijn diepe onkunde ten opzichte van het natuurwetenschappelijk eenheidsbegrip of monisme, zich verradend in zijn opmerking tegen Plechanow, m.a.w. zijn gemis aan natuurkennis en wijsgeerige ontwikkeling maakte hem ontvankelijk voor invloeden, die anderen, vóór hun naderen tot Marx en Darwin, reeds lang te voren hadden verwerkt. De Marxistische theorie leeren kennen, zonder een degelijke voorbereiding op de haar aangrenzende gebieden, kan leiden tot misverstaan, en doen opvlammen een geestdrift, die, een vaste basis missend, zij het ook na jaren afneemt, en dan tot weerzin overslaat. Vandaar dat het Marxisme, als naturalistische levensbeschouwing, geen feller bestrijder heeft dan diezelfde Bernstein, die eenmaal haar vurig aanhing, doch nu aan haar tracht te wreken èn zijn eigen misvattingen èn de door hem zoo wreed miskende burger-ideologie die den verloren zoon thans in vaster omarming klemt.

De Neo-Kantiaan Stammler, door Vorländer aangegehaald, gaat eenigszins dieper op de kwestie in dan Cohen. Deze geeft er zich rekenschap van hoe de historische noodzakelijkheid de eigenlijke ruggegraat van de economische geschiedstheorie vormt, doch.... hij wil er een element aan toevoegen: de "ethische aanschouwingswijze."

"De ethische beoordeeling van een sociaal gebeuren,"