Pagina:HuygensCornelieDarwinMarx1901.djvu/132

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is niet proefgelezen

121

generaties zal worden de zeer primitieve zedelijke aanschouwing van een menschheid, die destijds nog niet beter weten kòn.

Bovendien schijnen de Neo-Kantianen nimmer den blik te richten, over onze eigene Christelijke cultuurlanden heen, naar al de verre volkeren, die hun eigen godsdienst, hun eigen ideologie en zedeleer hebben, vaak lijnrecht tegenovergesteld aan die der kleine Christen-wereld. Men denke in de eerste plaats aan de Boeddhisten met hun edele, diep wijsgeerige levensaanschouwing, vervolgens aan de Mahomedanen en de aanhangers van de leer van Confucius. om dan nog verder te zien naar al de verschillende menschenrassen op onzen aardbodem, met hun verschillende godsdiensten en zeden.

Wat is van die allen de "Kategorische Imperatief", wat het "einddoel" of een "zedelijke wereldorde" of "de Idee van een rijk der doelen"? Welke zijn voor die allen de idealen van volmaaktheid en geluk?

Juist het "zijn" van elk volk, elk menschenras, de wijze waarop de natuur zich aan en in hen openbaart, de wijze waarop zij leven, bestaan, arbeiden, voortbrengen, streven, bepaalt hun denken en voelen en begrijpen, m.a.w. hun bewustzijn. Naar dit bewustzijn vormt zich hun geloof en hun ideaal, n.l. het schoonste of volmaaktste dat de menschengeest, onder bepaalde levensvoorwaarden, zich te beelden vermag.

Nagaande de onafzienbare verscheidenheid in godsdiensten en leerstellingen en ideologen, waarvan zelfs de leek op ethnologisch[1] gebied zich eenigermate een

  1. Ethnologie: volkenkunde.