Pagina:HuygensCornelieDarwinMarx1901.djvu/136

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is niet proefgelezen

125

praal van den sterkste, dien Kant—gegeven zijn zedewet a priori—naar alle waarschijnlijkheid "onzedelijk" zou hebben geacht.

Vandaar dat de latere ontdekkingen der natuurwetenschap de teleologie of doelloos van Kant hebben ondermijnd. Elke doelleer is een hersenbeeld, aannemend den vorm waartoe elk menschelijk bewustzijn, product van tallooze levensfactoren. het kneedde, en is als zoodanig slechts de reflex van het hoogste denkleven van een ras of volk in een gegeven tijdsperiode.

Al heeft wellicht nooit eenig mensch gewild of gewenscht of als zijn ideaal beschouwd de idee van strijd—gewild of gewenscht den natuurstrijd, of den klassenstrijd in de samenlevingen, toch is hij er, en allen moeten hem strijden, wijl èn de natuurschepselen èn de cultuurmenschheid onderworpen zijn aan de alles beheerschende natuurwetten.

Maar dit blijkt voor den Kantiaan in deze eeuw onzichtbaar te zijn en door hem onbegrepen.

Met zijn denkleven vastgeworteld in het dualisme van vervlogen eeuwen, schijnt hij te missen de geestelijke zintuigen om het evolutie-begrip, en de daarmede nauw verbonden monistische levensbeschouwing, in zich op te nemen.

* *
*

Van de ethiek overgaande tot de kritische philosophie van Kant, of zijn kennis-kritiek, die in zijn tijd ten aanzien van de dogmatiek der empirie[1] eenerzijds

  1. Empirie: ervaring uitsluitend op zinnelijke waarneming berustend.