Pagina:HuygensCornelieDarwinMarx1901.djvu/140

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is niet proefgelezen

129

waarheid, die later Darwin en Marx proefondervindelijk zouden bevestigen, n.l. het verschil van bewustzijn, het verschil van geestelijke zintuigen bij de verschillende samenlevingsgroepen, als volstrekte voorwaarde ter hooger ontwikkeling. Tevens ware hij dan geworden een der wijsgeerige grondleggers van een nieuwe strafrechterlijke wetenschap.

Maar in plaats van zijn kritiek meer en meer de rijkgeschakeerde verschijnselen des levens aan te leggen, waren het zijn dualisme en zijn op lateren leeftijd sterker wordende hang naar metaphysiek, die hem juist in een andere richting stuwden en hem in zijn "Kritiek der practische Rede" doen loochenen zijn aanvankelijke grondstellingen. Hij die eerst aantoont dat men aangaande bovenzinnelijke dingen nooit iets kan kennen, dat ideeën, als hulpmiddelen van "de zuivere Rede", nooit te vertrouwen zijn, roept een nieuwen factor op: "de practische Rede", aan welke practische Rede hij al datgene toestaat wat hij aan de theoretische of zuivere Rede streng verboden heeft! Zelfs wordt aan die zoo bevoorrechte Rede "zedelijke vrijheid" toegekend.

En door dat practisch vermogen—welks absolute geldigheid zonder bewijsgrond wordt aangenomen—streeft volgens hem de mensch, boven de wetten der ervaring uit, tot een bovenzinnelijke volkomenheid, welk streven zelf hem overtuigt van het bestaan eener volkomen wereldorde, aangezien deze idee in de hersens ontstaat zonder voorafgaande ervaring en dus tot het bovenzinnelijke of transcendentale behoort.