Pagina:HuygensCornelieDarwinMarx1901.djvu/155

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is niet proefgelezen

144

met het bestaande, bewogen te allen tijde de denkers en hervormers, wier aanleg en individualiteit hen zoo verre verhief boven de massa, en die bestemd waren het ontzaglijke wereldleed om te zetten in liefde en deernis. Maar al mochten—om met Huxley te spreken—"die hooge Alpen der menschheid" reageeren in mooiheid op het hen folterende wee der eeuwen, zij stuwden niet de wereldkrachten, zij gaven niet aan een nieuwe richting aan het gebeurende in het leven van den arbeid. Zij strengelden slechts passiebloemen om het kruishout der menschheid. Wat zij gaven, was en bleef schoonheid, gelijk aan de schoonheid van een kunstwerk. Wat zij gaven, bleef en blijft zweven in de sferen der illusie, zoolang niet uit de menschelijke verhoudingen zelven oprankt een levende wereldschoonheid, zich voedend dag aan dag met aller zijn en wezen, bezielend niet één enkele, maar de duizenden en tienduizenden. De ethiek is niet de wortel der cultuur, maar het bij elke nieuwe historische lente uitbottende groen aan den wereldboom.

Dit te ontkennen, nog altijd terug te blikken naar de een of andere groote figuur uit het verleden, alsof van daar het ons thans koesterende nieuwe wereldlicht uitstraalt, in plaats van het te bewonderen, en te aanbidden als de heilige strijdvlam opstijgend uit de omwenteling zelve waar wij midden in staan, het kenschetst duidelijker dan alles het nawerken van eeuwenoude tradities, zelfs bij hen, die meenen zich reeds aan hun klasse-moraal te hebben ontworsteld. De ideologie der burgerklasse betracht als natuur-