Pagina:HuygensCornelieDarwinMarx1901.djvu/33

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen

22

in de laagte ziet drijven, als fijne dampsluiers omwevend het granieten rotsgevaarte waarop hij staat, onzichtbaar makend de zoo moeitevol beklommen hoogte, hem gevend de begoocheling zonder basis te zweven in de oneindigheid.

En zij die niet zoover gingen van het arbeidsproces en den hen dragenden cultuurbouw met al zijn verdiepingen te loochenen, deden iets anders. Zij erkenden met zekere nederbuigende welwillendheid dat het er inderdaad was, maar verklaarden tevens het te beschouwen als iets minderwaardigs, als iets absoluut laags, waarmede de hooger aangelegde mensch geen rekening had te houden.

En toen er dus, ook als verschijningsvorm van het opgistende in de wereld van den arbeid, een man opstond, die, zich niet latende verblinden door de eeuwenlange wolkenillusie van niet tot de aarde en het natuurverband te behooren, dien heelen hoogen cultuurbouw afdaalde, begrijpend dat er een basis moest zijn, om die basis van nabij te onderzoeken; en toen hij na dit onderzoek aan de wereld verkondigde dat zijn vermoeden juist was geweest, toen bleken slechts enkele menschengroepen naar hem te luisteren, zij die het dichtst bij hem waren. Doch verdergaande met zijn onderzoek, aantoonend dat het economisch proces, dat de arbeidsbasis, wel verre van hun aandacht onwaardig te zijn, vormde de eeuwig rijke, voedende bron van heel het zijn en bestaan ook als torenmensch, van heel hun denken en zieleleven, hun wetenschap en wijsbegeerte en hoogste intellects-