Pagina:HuygensCornelieDarwinMarx1901.djvu/48

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen

37

menschelijke van elk absoluut oordeel tegenover het groote Leven, waarvan de beoordeelaar zelf slechts een verschijningsvorm is.

In verband met het alles omvattend eenheidsbegrip kan o.a. tot nadenken stemmen het feit, dat het plantenrijk, zoo nauw verwant aan de laagste vormen van het dierenrijk, een natuurtaak heeft te vervullen, waarvan alle organische wezens op aarde afhankelijk zijn, nl. het maken van protoplasma, de "stof" of "substantie" die het levensbeginsel uitmaakt. "Er is," zegt Huxley, na den ademhaling en den bloedsomloop en de cellenwerking bij sommige planten te hebben nagegaan, "een essentieel verschil tusschen planten en dieren in hun hoogere vormen. Planten hebben het vermogen, nieuw protoplasma te fabriceeren uit het delfstoffenrijk, terwijl dieren dat niet kunnen, en het geheel gereed gemaakt tot zich moeten nemen. De oorsprong van het protoplasma vinden wij derhalve bij planten. Zij bouwen op de levensstof. Zij zijn de accumulatoren of verzamelaars van de levenskracht welke de dieren distribueeren of verspreiden."—"In waarheid" vervolgt hij eenige bladzijden verder, "kan men zeggen, dat voor den helderziende het schijnbaar nietigste natuurverschijnsel is als een venster waardoor men het Oneindige kan leeren aanschouwen."

Van welk een hooge opvatting van alles wat is, van alle verschijningsvormen, getuigen dergelijke woorden van den grooten natuurvorscher, vergeleken bij het grof-naïeve van pogingen, om te willen uitmaken of wat de mensch in zijn onkunde "materie" noemt,