Pagina:HuygensCornelieDarwinMarx1901.djvu/61

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is niet proefgelezen

50

bij een vermeend of werkelijk gevaar, enz. enz.

"Ongetwijfeld," zegt hij, "is er een ontzettende geestelijke afstand tusschen de hoogste aapsoort en den minst ontwikkelden wilde. Maar een veel sterker geestelijk verschil bestaat tusschen een der laagste vischsoorten, bijv. de slakprik, en een der hoogste aapsoorten."

En Haeckel betoogt, dat het geestelijk verschil tusschen de laagste vischsoort en het hoogst georganiseerde dier of insekt—zooals bijv. een bij of mier—veel geringer is dan het geestelijk verschil tusschen den laagsten wilde en den hoogst ontwikkelden cultuurmensch.[1]

Het is volgens de groote natuurvorschers derhalve slechts een verschil van graad, niet van hoedanigheid.

Dan gaat Darwin in den breede na alle geestelijke en moreele vermogens en aandoeningen zooals: oplettendheid, verleidingskracht, geweten, plichtbesef, opoffering, schoonheidsgevoel, toewijding, liefde, energie overleg, combinatie-vermogen, godsdienstig gevoel bij geloof, nieuwsgierigheid, verwondering, wraakzucht angst, ijdelheid, schaamte, berouw, vreugde, geluk enz enz. Al deze en dergelijke aandoeningen en vermogens,

  1. Ter voorkoming van misverstand ook te dien opzichte, is het wellicht raadzaam hier een volzin van Darwin uit het derde hoofdstuk van zijn werk over De Mensch woordelijk te citeren: "Het onderzoek naar de wijze waarop de verstandelijke vermogens zich het eerst bij de laagste organismen ontwikkelden, is even hopeloos, als dat naar den eersten oorsprong het leven. Dit Zijn vraagstukken voor de verre toekomst, als zij zelfs ooit door den mensch zullen kunnen worden opgelost."