Pagina:HuygensCornelieDarwinMarx1901.djvu/62

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd

51

door hem achtereenvolgens in alle bijzonderheden nagegaan, bestaan bij de hoogere diersoorten in meer of minder ontwikkelden vorm, naar de mate van hun organisch zijn en naar gelang de voorwaarden waaronder zij bestaan; waarbij vooral in 't oog is te houden het verschijnsel, dat het verstandelijke in veel hoogeren vorm zich openbaart wanneer het sociaal levende dieren zijn, omdat het sociaal instinct, geboren uit en gevoed door de bestaans- en beschermingsbehoeften eener soort, de eerste schrede vormt tot een hoogere sfeer van geestelijke ontwikkeling dan anders mogelijk ware, wijl nu een begin van plichtbesef, hulpbetoon: derhalve zedelijkheid zich openbaart.

Daarna volgt Darwin de aangegeven lijn bij eenige wilde menschenrassen, het allerlaagst staande op de ladder der menschwezens, wier taal zich slechts begint te ontwikkelen, en die maar tot vier kunnen tellen. Vervolgens nadert hij de hooger staande natuurvolken, reeds uit de perioden van wildheid tot de barbaarschheid[1] geklommen, aantoonend, hoe steeds de bestaansvoorwaarden, derhalve de bestaansstrijd welken die volken te voeren hadden, de geestelijke vermogens tot ontwikkeling brachten; hoe die geestelijke en moreele evolutie geheel afhankelijk was van klimaat, geografisch midden, vruchtbaarheid of onvruchtbaarheid van den bodem, kortom, van alle mogelijke natuurinvloeden direct werkend op het economisch zijn, dat op zijn beurt weer bepaalde de sexueele en maatschappelijke vormen.

  1. Zie indeeling van Morgan in het vorige artikel.