Pagina:HuygensCornelieDarwinMarx1901.djvu/67

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is niet proefgelezen

56

menschenmaatschappijen met hare zoo saamgestelde verhoudingen—welke nader te onderzoeken het einddoel dezer beschouwingen zal zijn—is even ver verwijderd van hare oorsprongsvormen, als de cultuurmensch zelf van zijn dierlijke voorouders verwijderd is.

De bourgeois-darwinisten, in hun ruw-mechanische toepassing van den elementairen dierlijken natuurstrijd op de menschelijke samenlevingen, een toepassing, die, oppervlakkig beschouwd, schijnt te wettigen het eeuwig voortbestaan der huidige economische concurrentie, trachten zoodoende het in dit ééne tijdperk heerschende produktiestelsel buiten de wetten eener voortdurende verwording te plaatsen, en zien bovendien geheel voorbij het natuurfeit, dat bij sociaal levende diersoorten geen scherpe bestaanskamp van individu tegen individu plaats grijpt, dat integendeel bij dierenmaatschappijen individuen gemeenschappelijke belangen hebben. De parallel door hen getrokken tusschen dierensamenlevingen en menschensamenlevingen mist derhalve elke wetenschappelijke basis. Darwin zelf dacht er dan ook niet aan, zijn natuurbegrip op die grof-elementaire wijze het cultuurleven aan te leggen. Maar de werkingen der natuurlijke teeltkeus bleven voor hem onzichtbaar, omdat hij den cultuurmensch ideëel te dicht bij de natuur plaatste. Ook Buckle, een der voorgangers van Marx, had dit gedaan. "Wanneer wij onderzoeken, welke machtige invloeden van de natuur op het menschelijk geslacht werken, dan vinden wij vier soorten: het klimaat de voeding, den bodem, en de natuurverschijnselen."[1]

  1. Buckle's Geschiedenis der Beschaving. Inleiding.