Pagina:HuygensCornelieDarwinMarx1901.djvu/76

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is niet proefgelezen

65

een zekeren drang naar monisme, toch het ideëen- en geestesleven plaatsen buiten het voor ons erkenbare verband der dingen; die uit 't oog verliezen dat het ontstaan van de menschsoort op deze planeet, en de altijd hoogere geestelijke wording dier soort, van de natuur zelve slechts een der milliarden verschijningsvormen vertegenwoordigt. Het is slechts in en door de natuur, d.w.z. in en door haar gevolmachtigde: het arbeidsproces, dat de geestelijke vermogens der menschen zich verder ontwikkelen, doch nooit kan die ontwikkeling verder gaan dan het wezen zelf der natuur het gedoogt.

In verband met de voortstuwende kracht van wetenschappelijke ontdekkingen en uitvindingen en van het zich moeten aanpassen aan het nieuw ontdekte—wat aanvankelijk door de individueele geestelijke vasten wordt belichaamd—is het een alleszins verklaarbaar verschijnsel, dat in de menschelijke samenlevingen sedert het klassenkarakter er zich ontwikkelde derhalve sedert de opkomst der cultuur—slechts enkele dier klassen of groepen het bewustzijn hebben gehad noodig, om die wetenschappelijke ontdekkingen als waarheden te erkennen, terwijl andere groepen ze uit den aard der zaak voor absurditeiten verklaarden en ze uit alle macht bestreden. Dit verschijnsel, dat, door alle cultuureeuwen heen, zich onder bijna gelijke vormen voordeed, ligt in de logisch doorgevoerde lijn der ontwikkeling, vormt reeds op zichzelf de schitterendste bevestiging van de Darwinistische en Marxistische theoriën, die het zoo verschillend bewustzijn van soorten en groepen, ook van menschengroepen aantoonen.