Pagina:HuygensCornelieDarwinMarx1901.djvu/92

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd

81

gelukte beurs-zwendelarijen in iemands bezit komend, bovendien niet inherent of verbonden aan den mensch en vaak de laagste en diepst gezonken individuen in enkele dagen of weken macht en invloed gevend, een ruilbaar ding, gaande van hand tot hand en even spoedig verliesbaar als verkrijgbaar—zij meenden dat dit ruilmiddel inderdaad beteekende kracht of meerderheid of zegepraal in natuurwezenlijken zin, terwijl het niets beteekent een sociale schijnkracht, die, in plaats van te sterken, integendeel de intensieve sterkte of natuursterkte op den duur vermindert.

De burgerlijk-denkende Darwinisten meenen in vollen ernst, dat het bezit van iets wat den mensch geheel ontheft van voortbrengenden of natuurarbeid, hem derhalve berooft van een natuurkrachtig element, hem in waarheid doet stijgen, in plaats van te begrijpen, dat de natuurlijke teeltkeuze, in Darwinistischen zin, op den duur zich doet gelden juist daar waar geen economische kracht of schijnkracht aanwezig is. Het is de stijgende geldmacht en machtsuitoefening, die, na een zeker aantal generaties, het zekerste decadentie-middel is, zooals de geheele geschiedenis dit van de antieke beschaving af bewezen heeft.

Te verwarren economische kracht met intensieve kracht, is het zekerste middel, om de werkingen der natuurlijke teeltkeuze in de cultuurwereld nooit op het spoor te komen.

Het economisch recht van den sterkste is, sedert de opkomst van den persoonlijken eigendom, zeer zeker heerschende geweest. Het doet zich gelden in de