Pagina:In Het Jaar 2000 (Bellamy1890).djvu/109

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen

101

"Het spreekt van zelf, dat niet enkel de goede maar ook de gewone en de slechte werklieden, de eerzucht van op te klimmen met reden zullen kunnen koesteren. Ja, omdat het aantal van deze laatsten zooveel grooter is, is het zelfs noodiger dat dit klasse-stelsel hen niet ontmoedigt dan dat het de anderen aanspoort. Daarom zijn de klassen nog onder-verdeeld. Afdeelingen en onderafdeeiingen worden bij elke verhooging van gelijke getalsterkte gemaakt, en er is dus nooit meer dan een negende van het geheele leger in de laagste afdeelingen van de laagste klasse, en de meerderheid van dit cijfer zijn gewezen leerlingen, die allen hoopen op bevordering. Zij die gedurende den geheelen dienst in de laagste klassen blijven, zijn maar een geringe fractie van het leger en in den regel even ongevoelig voor hun toestand als onbekwaam om zich te verbeteren.

"Het is zelfs niet noodig dat een arbeider stijgt om althans eenige bevrediging van zijn eerzucht te ondervinden. Terwijl voor bevordering een algemeene uitmuntendheid als werkman onmisbaar is, worden eervolle vermeldingen en verschillende soorten van belooningen toegekend voor verdiensten die geen bevordering medebrengen, en ook voor bijzondere daden en op zich zelf staande verrichtingen in eenig bedrijf. Er zijn ook nog andere onderscheidingen, niet alleen in de klassen maar ook in de onderafdeelingen, die elk prikkelend werken op de handelingen van een groep. De bedoeling is dat geen enkele vorm van verdienste onbeloond zal blijven.

"Verwaarloozing van arbeid, bepaald slecht werk, of andere grove nalatigheid bij menschen met kwade gezindheid,—de tucht in het leger is veel te streng om iets van dit alles toe te staan. Een man die in staat is zijn plicht