Pagina:In Het Jaar 2000 (Bellamy1890).djvu/161

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen

153

onze vermogens. Wij beschouwen hem als een noodzakelijken plicht die vervuld moet worden, alvorens wij ons geheel kunnen wijden aan de hoogere oefening van onze krachten, de geestelijke en verstandelijke genietingen en bezigheden, die alleen leven mogen heeten. Al het mogelijke wordt inderdaad gedaan door een billijke verdeeling van lasten, en door alle soorten van bijzondere aantrekkelijkheden, om den arbeid het vervelende te ontnemen, en betrekkelijk is het werken dan ook niet vervelend, het is dikwijls zelfs opwekkend. Maar het is niet de arbeid, het is de hoogere inspanning, waarin wij vrij zijn zoodra onze andere taak verricht is, die aangezien wordt als het hoofddoel van het bestaan. Natuurlijk hebben niet allen of zelfs de meesten de liefde voor wetenschap, kunst of letteren, die vrijen tijd stempelt tot de éenig kostbare zaak voor zijn bezitters. Velen beschouwen de laatste helft van het leven voornamelijk als een periode van genietingen van anderen aard: voor reizen, voor gezellig verkeer met de vrienden uit hun werktijd; een periode voor de beoefening van alle soorten van persoonlijke liefhebberijen en smaken, en het zoeken van allerlei vermaak, in één woord, als een periode voor het gemakkelijk en ongestoord genot van de goede dingen dezer wereld, die zij hebben helpen voortbrengen. Maar welke ook het onderscheid is tusschen onze persoonlijke voorkeur in het gebruik dat wij van onzen vrijen tijd zullen maken, wij komen allen hierin overeen dat wij allen het oogenblik van ons ontslag tegemoet zien als het oogenblik waarop wij eerst in het volle bezit van ons geboorterecht zullen komen, het tijdstip waarop wij pas waarlijk meerderjarig zullen worden en ontheven van tucht en toezicht, met het loon voor ons geheele leven in eigen