Pagina:In Het Jaar 2000 (Bellamy1890).djvu/172

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen

164

gebleven in den toestand toen het werk afgebroken werd door de ontdekking van het bovenste deel van het vertrek, behalve dat de deur opengemaakt was en het dak weer hersteld. Wij gingen binnen en bevonden ons in het half verlichte vertrek. Alles was precies als ik het voor het laatst had aanschouwd op dien avond honderd en dertien jaar geleden, voor ik mijn oogen sloot in den langen slaap. Een tijdlang stond ik zwijgend te staren. Ik zag dat mijn gezellin mij van terzijde aankeek met een blik, angstig, doch vol vriendelijke belangstelling. Ik stak mijn hand naar haar uit en zij legde haar hand in de mijne, en met een zachten, geruststellenden druk beantwoordden haar vingeren mijn greep. Eindelijk fluisterde zij: "zullen wij maar niet liever heengaan? U moet niet te veel vergen van u zelf. Vindt u het niet verschrikkelijk vreemd?"

—"Integendeel," zeide ik; "het schijnt mij niets vreemd, en dat verbaast mij het meest."

—"Niet vreemd?" herhaalde zij.

— "Neen, volstrekt niet. De aandoeningen die gij denkt dat ik gevoel en die ik verwachtte, gevoel ik eenvoudig niet. Ik weet alles wat deze omgeving beduidt, maar zonder de opwinding die ik vreesde. En dat kan u niet zoo erg verwonderen als het mij doet. Van dien vreeselljken ochtend af toen u mij te hulp kwaamt, heb ik getracht alle gedachten aan mijn vorig leven te vermijden, zooals ik vermeden heb hier te komen, uit angst voor alle storende invloeden. Ik ben als een man die een gewond lichaamsdeel bewegingloos heeft gehouden, denkende dat het buitengewoon gevoelig was, en die het verlamd vindt als hij het weer bewegen wil."

—"Meent u dat uw geheugen weg is?"