Pagina:In Het Jaar 2000 (Bellamy1890).djvu/239

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen

231

aarde, waar hij baadde in de zon en geliefkoosd werd door de sterren en gestreeld door den zuidenwind. Toen bleek het in waarheid een rozestruik te zijn. Ongedierte en ziekte verdwenen en de plant tooide zich met honderd roode rozen waarvan de geuren de lucht der wereld vervulden.

"Het is een onderpand voor de voltrekking van het lot dat de Voorzienigheid ons heeft toegedacht, dat in ons hart een steeds werkzame neiging geplant is tot verbetering, die steeds onze vroegere verrichtingen achter zich laat en het doel nimmer bereikt acht. Indien onze voorvaderen zich eenen toestand van de maatschappij hadden voorgesteld, waarin de menschen naast elkander zouden leven als broederen in eendracht, zonder twist of nijd, geweld of achterstelling, en waarin, met eene mate van arbeid niet grooter dan goed is voor de gezondheid, in hunne gekozen bezigheden, zij geheel vrij van angst voor den dag van morgen zouden zijn, en met even weinig zorg voor hun bestaan als boomen die besproeid worden door vlietend water—hadden zij zich zulk een toestand voorgesteld, zeg ik, hij zou hun toegeschenen zijn niet onder te doen voor het Paradijs. Zij zouden er hun hemel in hebben gezien, en niet gedroomd hebben dat een latere toekomst iets kon bevatten dat de moeite waard zou zijn te worden begeerd.

"Maar hoe is het met ons, die reeds staan op de hoogte waarnaar zij opblikten? Reeds zijn wij het zoo goed als vergeten, behalve wanneer het ons uitdrukkelijk voor den geest wordt geroepen door eene aanleiding als deze, dat het met de menschen niet altijd gesteld was zooals nu. Het is moeilijk voor onze verbeelding om ons de maatschappelijke inrichtingen van onze onmiddelijke