Pagina:In Het Jaar 2000 (Bellamy1890).djvu/250

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen

242

mij aanzag en mij troostvol tegenlachte. Mijn lot was niet alleen het wonderbaarlijkste, maar tevens het begunstigdste van alle menschen. Een dubbel wonder was aan mij gewrocht. Niet verlaten was ik geworpen op dit onbekende strand. Mijne beminde die ik verloren had gewaand, was tot mijne vreugde herboren. En toen ik eindelijk, overvloeiende van dankbaarheid en liefde, het aanvallige meisje in mijne armen sloot, werden de twee Ediths in mijne gedachten tot één en zijn nooit weer gescheiden geworden. Spoedig ontdekte ik dat bij Edith een overeenkomstige persoonsverwarring bestond. Nooit hebben twee pas vereenigde verliefden een zonderlinger gesprek gevoerd dan wij dien middag. Zij scheen er nog meer op gesteld dat ik over Edith Bartlett zou spreken dan over haar-zelf, hoe ik haar had bemind en zij beloonde mijne teedere woorden over eene andere vrouw met tranen, lachjes en zachte handdrukjes.

—"Gij moet mij niet te zeer om mij-zelf liefhebben," zeide zij. "Ik zal jaloersch zijn voor haar. Ik zal niet toestaan dat gij haar vergeet. Ik zal u iets zeggen dat gij vreemd zult vinden. Gelooft gij niet dat geesten somtijds naar de aarde terugkeeren om dingen te doen die hun na aan het hart lagen? Wat zoudt gij zeggen als ik meende dat haar geest in mij woont—dat ik niet Edith Leete, maar Edith Bartlett heet. Ik kan het niet weten, niemand kan weten wie wij zijn, maar ik voel het. Gij vindt het niet vreemd dat ik dat gevoel heb, want mijn leven was reeds betrokken bij het hare en het uwe, nog voor gij gekomen waart. Zoo ziet gij dat gij geen moeite hoeft te doen om mij te beminnen, als gij haar maar trouw blijft. Ik zal in het geheel niet jaloersch zijn."