Pagina:In Het Jaar 2000 (Bellamy1890).djvu/258

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen

250

gebrek van de ongelukkigen. Waren dat menschelijke wezens die de ellende van hunne naasten konden gadeslaan zonder zelfs hun gelaat te vertrekken? En toch wist ik voortdurend dat ik veranderd was, en niet mijne tijdgenooten. Ik had gedroomd van een stad waar alle menschen deelden in het zelfde lot als de kinderen van éen gezin, en in alle dingen elkanders hoeders waren.

Een ander kenmerk van het echte Boston, dat de indruk maakte van zonderlingheid die bekende dingen krijgen wanneer men ze beschouwt in een nieuw licht, was dat algemeene adverteeren. In het Boston van de twintigste eeuw had niemand geadverteerd, omdat niemand er behoefte aan had, maar hier waren de muren van de gebouwen, de vensters, de bladzijden van de couranten in ieders hand, zelfs de steenen van de straat, alles in één woord dat te zien was, behalve het uitspansel, bedekt met de beroepen van personen die, onder tallooze voorwendsels, de bijdragen van anderen trachtten meester te worden voor hun bestaan. De bewoordingen mochten verschillend zijn, de strekking van al die beroepen was. dezelfde:—"Help Jan Jansen. Denk niet om de anderen. Zij zijn bedriegers. Ik, Jan Jansen, ben de beste. Koop van mij. Gebruik mij. Bezoek mij. Luister naar mij, Jan Jansen. Kijk naar mij. Vergis u niet. Jan Jansen is de man en niemand anders. Laat de rest doodhongeren, maar denk om Gods wil aan Jan Jansen!"

Of de ontroering dan wel de zedelijke walging van het schouwspel den diepsten indruk op mij maakte, op mij, die plotseling een vreemdeling was geworden in zijn eigen stad, weet ik niet. Ellendige menschen, had ik willen uitroepen, die omdat zij niet willen leeren elkaar te helpen, gedoemd zijn bij elkander te bedelen, van den