Pagina:In Het Jaar 2000 (Bellamy1890).djvu/36

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen

28

Aan mijn voeten lag een groote stad. Mijlen ver strekten zich breede straten, overschaduwd door boomen en omzoomd met fraaie gebouwen, meestal niet in lange reeksen maar in grootere of kleinere groepen, in alle richtingen uit. Elk gedeelte bevatte groote open pleinen met vele boomen, waartusschen standbeelden schitterden en fonteinen in de late najaarszon. Openbare gebouwen van reusachtige afmetingen en een grootsche bouworde, zonder voorbeeld in mijn tijd, verhieven hunne statige lijnen aan alle kanten. Zekerlijk had ik nooit deze stad gezien of eene andere dergelijke. Eindelijk zag ik westwaarts. Dat blauwe lint, naar de ondergaande zon leidend, was immers de bochtige Charles? Ik keek naar het oosten; de haven van Boston strekte zich uit tusschen zijne hoofden, ik miste geen enkel van de groene eilandjes.

Toen wist ik dat ik de waarheid vernomen had over het wonderbaarlijke geval dat mij gebeurd was.

 


 

HOOFDSTUK IV.

 

 

Ik viel niet flauw, maar de poging om mijn toestand te begrijpen, maakte mij zeer duizelig, en ik herinner mij dat mijn gezel mij zijn sterken arm moest geven om mij van het dak naar een ruim vertrek boven in huis te geleiden, waar hij er op stond dat ik een paar glazen goeden wijn zou drinken en iets zou eten.

—"Ik denk dat het nu wel met u zal schikken," zeide hij vroolijk. "Ik zou niet zulk een hard middel hebben gebruikt om u te overtuigen van het gebeurde, als uw