Pagina:In de sneeuw.djvu/209

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd

207

der: „Ik zal nimmer den Heer verzaken!"

„Bah!" was alles wat Gabriëlle zeide, en hem eensklaps den rug toekeerend streek, zij haren verlovingsring van den vinger en wierp hem op tafel, waar hij onder den voet der lamp bleef liggen.

Mevrouw Jürges zag hem op de tafel rollen en riep: „Wilt ge bre..."

Wilt gij met hem breken? wilde ze zeggen; maar zij gevoelde nog bijtijds, dat deze woorden niet pasten; en ze bleef daarom zitten, starend naar den voet der lamp.

Gabriëlle stond een paar seconden geheel verslagen; maar plotseling kwam ze weer tot bezinning.

„Goeden nacht!" — sprak ze, naar de deur gaande.

Johannes wilde haar volgen: maar zijn vader hield hem tegen.

„Laat zij er zich op beslapen. Van avond niet meer. Morgen is er — God zij gedankt — ook een dag. Ik zeide reeds, Johannes, dat we krachtige middelen dienden te gebruiken. Laat ons God danken, dat het voorbij is, en dat gij roemrijk de beproeving weerstand hebt geboden.