Pagina:In de sneeuw.djvu/218

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd

216

die daar breed en sterk in bed lag. — Zelfs dit bed — versleten en geschonden door het verhuizen, het was met haar leven op het innigst verbonden. Hierin had zij al haar kinderen gebaard, en in den loop des tijds hare schoonheid — hare vrouwelijkheid verloren, tot er niets meer restte; — steeds meer vermoeid, — steeds meer opgaande in het zorgen voor anderen — nooit begrepen, altijd gebruikt, en veronachtzaamd. En hare ziel werd vervuld van diep medelijden met zich zelve. Zij was naar den geest te zeer gebroken, dan dat zij nú nog uit deze overleggingen kracht tot weerstand zou hebben kunnen putten. En toen zij het licht had uitgeblazen, overstelpte haar een onuitsprekelijke weemoed.

En zij schreide. —

„Waarom schreit ge, Mina?" vroeg de predikant, zich op de ellebogen half oprichtend.

„Och — het is zoo jammer — zóo jammer — snikte ze.

„Wat is zoo jammer?" vroeg hij een weinig ongeduldig.

„ Alles, — alles is zoo jammer — zoo jammer! — "