Pagina:In de sneeuw.djvu/223

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd

221

Zij had den strijd verloren, o, zeker, en ruimde nu het slagveld: maar zij lachte vergenoegd, haalde den mantel dichter om zich heen, en vervolgde welgemoed haren weg.

Het klagende bosch, de vallende sneeuw, de zwarte stammen langs den weg, — alles werd haar lief; zij gevoelde zich als verwant met de gansche natuur; en ofschoon het verlichte venster weer aan haar oog was onttrokken, ging zij moedig verder, en geen twijfel aangaande den juisten weg kwam in haar op.

Gabriëlle keerde zich geen enkele maal om, en werd dus ook de gestalte niet gewaar, die haar op een afstand volgde.

Johannes was haar tot aan de kerk hard loopend gevolgd; hij zag haar den weg naar het bosch inslaan, en juist toen hij wilde roepen, verhaastte zij hare schreden.

Johannes ijlde haar achterna: maar toen hij zag, dat zij stilstond, bleef ook hij staan. — Zoolang hij haar niet kon naderen, haastte hij zich. Maar nu zij onder het bereik zijner stem was, — bleef hij als in vertwijfeling staan: hij durfde niet verder gaan, en kon zich niet vermannen haar te roepen.