Pagina:Jacob Daalder-Vogelkiekjes (1910).pdf/148

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd

140

mogen het niet gelooven, omdat het geheel onwaar is, en we zijn verplicht, anderen dit geloof te ontnemen, omdat een dergelijke leugen den koekoekenstand niet mag benadeelen.

Zie, daar schiet onze sperwer met kracht op een spreeuw aan! De positie van onze panlijster (veelvuldig voorkomende benaming voor den spreeuw) is niet te benijden. Zoo snel zijn wieken hem kunnen dragen, schiet hij vooruit in de richting van het bosch, waar hij veiligheid hoopt te vinden, doch de vervolger dwingt hem tot eene zwenking naar rechts. Ha, daar is een geopende bloembollenschuur! Daar zal de spreeuw veilig zijn! Maar ook daar volgt hem de op bloed en warm vleesch beluste sperwer, die zich in zijne blinde vervolging niet eerst overtuigt, of zich ook personen in de schuur bevinden. Na eenige rondgangen schieten de beide vogels weer naar boven. Is er dan geen uitkomst meer voor onzen spreeuw? Op slechts korten afstand schieten ze langs ons heen, en de meters tusschen vervolger en vervolgde krimpen in tot decimeters. Nog ééne poging wil de spreeuw aanwenden! Daar staat een kippenhok, en in wilde vlucht gaat het door de kleine opening er van. Maar ook hier volgt hem de booze. We hooren een kort geschreeuw. Het zijn de stervenskreten van een vogel, die ons heeft doen zien, dat de strijd om het bestaan in de lucht dikwijls op even hevige wijze gestreden wordt, als op en in de aarde en in de diepte der zee.

Groot is het aantal kleine vogels, dat des winters door sperwers omgebracht wordt, en alleen bij gebrek aan vogelvleesch stellen zij zich met muizen tevreden.

Wanneer men een menschenpaartje ontmoet, waarvan