Pagina:Jacob Daalder-Vogelkiekjes (1910).pdf/147

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd

139

 

XLII.


Klein, maar dapper.


Zie, een koekoek!

0, neen! 't Is een vogel, die er in houding en vederkleed op gelijkt, maar hij heeft heel wat onedeler eigenschappen, dan de nuttige koekoek. 't Is een sperwer, een drieste roover, die zijn prooi op geweldige wijze vervolgt dikwijls.

Ja, zoo'n sperwer gelijkt door zijn breeden waaierstaart veel op den koekoek, vooral op eenigen afstand, en die gelijkenis heeft het praatje in de wereld gebracht, dat de koekoek in het najaar in een sperwer en in het voorjaar weer in een koekoek verandert. De nuttige rupsenverdelger van den zomer zou dus des winters een gevreesde roofvogel zijn, die geen vogeltje ontziet, en zijn prooi zoo geweldig vervolgt, als geen enkele andere vogel dat doet! Zoo'n metamorphose is onbestaanbaar. Doch er zijn nog tal van menschen, die haar voor waar houden, en des zomers den nuttigen koekoek dooden, om des winters geen last van den sperwer te hebben.

't Treft wel toevallig, dat de koekoeken in het najaar ons verlaten, ongeveer op denzelfden tijd, wanneer vele sperwers uit Noordelijker streken hier komen wonen. De eerste ziet men niet gaan en de laatste kondigen hun komst niet aan, en daarom blijven het in het oog van den leek dezelfde vogels. En daarbij zouden dan de klimvoeten van den koekoek moeten veranderen in de grijpklauwen van den sperwer en de rechte koekoeksnavel zou een echte roofvogelbek moeten worden! We