Pagina:Jacob Daalder-Vogelkiekjes (1910).pdf/146

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd

138

kennen, ook een hardlooper. Daar leeft even geheimzinnig en ook in het verborgen de Waterral (Rallus aquaticus L.), die ook Fluitje, Zijde- en Fluweelhoentje genoemd wordt. Kan men zich niet in hinderlaag begeven bij de sloot, dan zal men hoogstens een dier weg zien sluipen, en men zal niet weten, of het een vogel of een rat is. Maar van uit de mand ziet men stellig den ral zich kalmpjes voortbewegen, en de vogel is dan goed te kennen aan het smalle lichaam, dat samengedrukt schijnt te zijn, alsmede aan de lange pooten en aan den langen snavel, die roodachtig is. Het vederkleed is op de bovendeelen bruin met groote zwarte lengtevlekken, op buik en zijden van den romp zwart met vele witte dwarsbanden, en op de overige onderdeelen donkergrauw.

In den paartijd leveren de mannetjes hevige gevechten, waarbij ze den staart opgericht houden en de vleugels laten hangen. Ook dit kan men het best van onder de mand waarnemen.

Het nest vindt men op omgebogen rietstelen of tusschen wilgenstruiken, en de eieren gelijken op die van den Wachtel, doch zijn aanmerkelijk kleiner.

En hiermede nemen we weder afscheid van twee vogelsoorten, die des zomers tamelijk veelvuldig en des winters in slechts weinige exemplaren bij ons willen wonen.