Pagina:Jacob Daalder-Vogelkiekjes (1910).pdf/150

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd

142

nenshuis willen zoeken, doch vervolgde en vervolger hadden zich te pletter gevlogen tegen de dikke ruit.

Meer brutale stukjes zouden uit het leven van den Astur nisus nisus (L.), zooals de sperwer wetenschappelijk heet, genoemd kunnen worden, doch 't is genoeg.

We willen het als een geluk beschouwen, dat dit roovertje slechts in klein aantal bij ons broedt.

 

 

XLIII.


Over Bleshoenders.


Wie met den trein over den spoordam door het Naardermeer gaat, kan bijna altijd door het raampje waarnemen verscheidene zwartgekleurde vogels, waarvan het wit op snavel en voorhoofd zich blinkend vertoont. „Kijk, eenden!” hoort men dan allicht, terwijl een ander, die toch wel ziet, dat het geen gewone wilde eenden zijn, spreekt van duikertjes. Den goeden naam hoort men maar zelden, en wie hem zegt, weet beslist iets meer van onze avifauna, dan de meeste menschen. Toch zijn er al veel meer, die onze vogels kennen of bestudeeren, dan vroeger, en over enkele jaren zal men van talrijke vogelkenners kunnen spreken. De liefde voor de levende Natuur begint zich met kracht te openbaren, dank zij den goeden tijdschriften, de medewerking van verschillende couranten en de oprichting van Natuurhistorische Vereenigingen.

Doch we keeren naar den spoordam terug, om de