Pagina:Jacob Daalder-Vogelkiekjes (1910).pdf/151

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd

143

Meerkoeten (Fulica atra atra L.), want zoo heeten ze, te bekijken. Heel goed vinden kunnen ze 't nu juist niet met elkander. Gedurig zitten ze elkaar achterna, en meermalen komt het tot formeele gevechten. Gewoonlijk is toch de vrede weer spoedig geteekend, en dan zwemmen ze weer met elkaar rond, alsof er geen verschil bestaan heeft. Koppig zijn ze heelemaal niet, zoodat de menschen wel eens een lesje aan ze kunnen nemen.

Zoo op het eerste zien is men wel geneigd den Meerkoet voor een eend te houden, doch wanneer men de pooten kon zien, zou het blijken, dat ze niet veel met de zwemvoeten van eenden overeenkomen.

De teenen toch zijn niet door zwemvliezen verbonden, maar er langs loopen breede, stevige lobben, die flink gespannen worden, wanneer de Koet de pooten een voor een achteruit slaat. En zoo kan hij zich nog wel zoo goed in het water redden, als vele vogels met zwem- en roeivoeten.

Zelfs in het najaar kan men de oude en de jonge Meerkoeten nog wel uit elkander kennen. De oude vogels toch zien veel zwarter; de jongen zijn meer zwartachtig bruin met een weinig wit op keel en krop. De donsjongen zijn, bedekt met zwarte, wolachtige vederen en die op den bovenkop zijn rood. Maar zulke donsjes kunnen we nu natuurlijk niet zien, wel oudere vogels, en daarbij is vooral kenschetsend het wit van snavel en voorhoofdplaat.

Net blesjes! Deze oude dieren kunnen we den geheelen winter door waarnemen, want lang niet alle gaan naar het Zuiden. Bij streng winterweer hebben vele het evenwel hard te verantwoorden, en menig exemplaar